Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
10-751 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering langdurigheidstoeslag. De Commissie heeft geoordeeld dat voor het verkrijgen van de langdurigheidstoeslag over 2008 niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Dit standpunt is echter niet (nader) gemotiveerd. De Raad draagt de Commissie op dit gebrek te herstellen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/202
RSV 2011/311
USZ 2011/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/751 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 januari 2010, 09/636 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gulickx. De Commissie heeft zich - met bericht van verhindering - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 1 september 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Sinds 1 september 2006 ontvangt de echtgenote van appellant studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000).

1.2. Bij besluit van 28 februari 2008 heeft de Commissie de bijstand van appellant over de maand maart 2008 verlaagd met 20% op de grond dat appellant zonder bericht van verhindering niet heeft deelgenomen aan werkzaamheden in het kader van een

re-integratietraject. De Raad heeft in zijn uitspraak van 24 mei 2011, LJN BQ7408, geoordeeld dat deze verlaging onrechtmatig is en het besluit van 28 februari 2008 herroepen.

1.3. Bij besluit van 7 november 2008 heeft de Commissie de aanvraag van appellant van 24 september 2008 om een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB over het jaar 2008 afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a en d van de WWB.

1.4. Bij besluit van 29 december 2008 heeft de Commissie het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2008 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de Commissie ten grondslag gelegd dat de onder 1.2 vermelde verlaging impliceert dat appellant in de referteperiode onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, dat zijn echtgenote studiefinanciering ontvangt waardoor het gezamenlijk inkomen hoger is dan de bijstandsnorm voor gehuwden en dat, omdat zijn echtgenote studeert, geen sprake is van feitelijke afwezigheid van arbeidsmarktperspectief. Tevens is in aanmerking genomen dat appellant ten tijde hier van belang ook student was en studiefinanciering ingevolge de WSF 2000 ontving. De Commissie heeft uitdrukkelijk als afwijzingsgrond laten vallen dat appellant gedurende de referteperiode inkomsten uit of in verband met arbeid ontving.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 december 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat - aan appellant - binnen de referteperiode - een maatregel tot verlaging van de bijstand is opgelegd en dat als gevolg daarvan niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 36, aanhef en onder c, van de WWB.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB (zoals luidend ten tijde hier van belang) verleent het College op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van

23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het College van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het College voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden en;

(…).

Ingevolge artikel 36, derde lid, van de WWB wordt de langdurigheidstoeslag verleend met ingang van de datum waarop een periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is bereikt.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 28 september 2010, LJN BO0479) houdt artikel 36, derde lid, van de WWB in dat de ingangsdatum van de langdurigheidstoeslag de peildatum is waarop de periode van 60 maanden is bereikt. Dit betekent dat artikel 36 van de WWB er niet toe dwingt om de datum waarop de aanvraag is gedaan als peildatum aan te merken. Voor een in 2008 gedane aanvraag geldt 1 januari 2008 als eerst mogelijke peildatum. Nu het in de systematiek van de hier aan de orde zijnde wettelijke regeling gaat om een eenmalige, jaarlijks op aanvraag toe te kennen toeslag, is voor toetsing van het besluit op bezwaar ter zake bepalend of gezegd kan worden dat de betrokkene op 1 januari 2008 dan wel (uiterlijk) ten tijde van het nemen van dat besluit gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden heeft voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, van de WWB gestelde voorwaarden. In dit geding staat derhalve ter beoordeling of appellant in de periode van 1 januari 2003 tot en met 29 december 2008 over een ononderbroken periode van 60 maanden aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de WWB heeft voldaan.

4.3. De Raad overweegt in de eerste plaats dat met zijn onder 1.2 vermelde uitspraak - waarbij is geoordeeld dat de bij besluit van 28 februari 2008 toegepaste verlaging onrechtmatig is - is gegeven dat appellant niet het bepaalde in artikel 36, eerste lid, onderdeel c, van de WWB kan worden tegengeworpen. In zoverre berust het besluit van 29 december 2008 op een ondeugdelijke motivering.

4.4. Nu de rechtbank de ongegrondverklaring van het beroep uitsluitend heeft gebaseerd op de grond dat de aan appellant opgelegde maatregel van verlaging van de bijstand in de weg staat aan de toekenning van langdurigheidstoeslag, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal vervolgens bezien of het besluit van

29 december 2008 stand kan houden op de andere daarin opgenomen gronden.

4.5. De Commissie heeft niet langer aan appellant tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. De Commissie heeft vastgesteld dat appellant in de referteperiode geen in aanmerking te nemen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen. Wel heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van appellant en zijn echtgenote niet kan worden gezegd dat een arbeidsmarktperspectief feitelijk ontbreekt, aangezien zij in de referteperiode studerend zijn of zijn geweest. Ook daarom komt appellant volgens de Commissie niet in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag over 2008. Naar het oordeel van de Raad kan, gelet op de koppeling die in de zojuist genoemde bepaling is aangebracht tussen het arbeidsmarktperspectief en het hebben ontvangen van (geringe) inkomsten uit of in verband met arbeid, dit standpunt van de Commissie niet worden gevolgd, zodat de motivering van het besluit van 29 december 2008 ook in zoverre op een ondeugdelijke motivering berust.

4.6. De Commissie heeft aan het besluit van 29 december 2008 ten slotte ten grondslag gelegd dat de partner van appellant inkomsten uit studiefinanciering heeft ontvangen en dat deze inkomsten tezamen met de WWB-uitkering van appellant in de referteperiode hoger zijn geweest dan de norm voor een echtpaar. De Raad begrijpt dit standpunt van de Commissie aldus, dat voor het verkrijgen van de langdurigheidstoeslag over 2008 niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. De Commissie heeft dit standpunt, dat door appellant is bestreden, echter niet (nader) gemotiveerd. Zo ontbreekt een cijfermatige onderbouwing waaruit kan worden afgeleid dat, en zo ja in welke periode, sprake is geweest van een gezinsinkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm. Ook in zoverre voldoet het besluit van 29 december 2008 niet aan het vereiste van een deugdelijke motivering.

4.7. Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het besluit van 29 december 2008 gegrond zal worden verklaard en dat dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.8. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. In dit geval kan op grond van de thans beschikbare gegevens niet worden beoordeeld of appellant heeft voldaan aan de in 4.6 besproken voorwaarde van artikel 36, eerste lid, van de WWB voor toekenning van de langdurigheidstoeslag over 2008.

4.9. Hetgeen in onderdeel 4.6 is overwogen betekent nog niet dat daarmee vaststaat dat het standpunt van de Commissie op dit onderdeel op zichzelf bezien onjuist is. Uit de tussen partijen gewezen uitspraken van de Raad van 24 mei 2011, LJN BQ7520 en LJN BQ7487, kan worden afgeleid dat de Commissie bij de verlening van bijstand aan appellant over de referteperiode niet steeds de juiste systematiek heeft gevolgd met betrekking tot de verdiscontering van het inkomen uit studiefinanciering en/of de juiste normbedragen heeft gehanteerd. Dat heeft onder meer geleid tot terugvordering van bijstand en tot het toepassen van een afbouwregeling. Kortheidshalve verwijst de Raad verder naar de zojuist genoemde uitspraken. Derhalve valt niet uit te sluiten dat aan appellant (uiteindelijk) tot een hoger bedrag bijstand is verleend dan waarop hij recht had. Het is thans in de eerste plaats aan de Commissie om hierover nader te beslissen. De Commissie zal zijn standpunt dat het gezinsinkomen van appellant in de referteperiode hoger is geweest dan de bijstandsnorm in cijfermatig opzicht moeten onderbouwen. Als tevens blijkt dat dit het gevolg is geweest van een - aan de Commissie toe te rekenen - onjuiste berekening van de hoogte van de bijstand van appellant, dient de Commissie in zijn nadere besluit tevens aandacht te schenken aan de vraag of de hier aan de orde zijnde weigeringsgrond dan wel aan appellant kan worden tegengeworpen bij de beoordeling van zijn aanspraak op langdurigheidstoeslag over 2008.

4.10. De Raad ziet in het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet de Commissie op te dragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2008 tot afwijzing van langdurigheidstoeslag over 2008.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt de Commissie op om binnen 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 29 december 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

HD