Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
06-2313 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Geen procesbelang. Heropening onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2313 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2006, 05/4794 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Partijen zijn daarbij niet verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen. Partijen is daarvan mededeling gedaan bij brief van 17 november 2008.

Bij brief van 17 november 2008 heeft de Raad het Uwv vragen voorgelegd, welke bij schrijven van 8 januari 2009 zijn beantwoord.

De Raad heeft bij verzoek van 13 september 2010 (LJN BN7959) een tweetal prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), nadat partijen in de gelegenheid waren gesteld te reageren op de door de Raad geformuleerde concept prejudiciële vragen.

Op 13 december 2010 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar van diezelfde datum ingezonden.

Bij brief van 28 januari 2011 is namens appellante hierop gereageerd. Daarbij is tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Partijen hebben nadien nog diverse correspondentie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Appellante is in persoon verschenen en bijgestaan door

mr. Grégoire. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Eijkhout, LB.B.

De Raad heeft bij fax van eveneens 21 juni 2001 de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU ingetrokken.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn prejudiciële vragen zoals vermeld in rubriek I.

1.2. Op 7 oktober 2004 heeft appellante bij het Uwv een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen op de grond dat hij niet bevoegd is te oordelen over het recht op WW-uitkering. Dit besluit is – onder wijziging van de motivering – na bezwaar gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 18 april 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellantes beroep tegen de onder 1.2 genoemde beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. Appellante is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

3. Bij besluit van 13 december 2010 heeft het Uwv appellantes bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2004 alsnog gegrond verklaard. Besloten is het recht op WW-uitkering te laten herleven over de periode van 7 oktober 2004 tot en met

23 mei 2005 en te zullen nabetalen. Het Uwv heeft verder bij schrijven van 1 maart 2011 medegedeeld de wettelijke rente over de vertraagde nabetaling te zullen vergoeden.

4.1. De Raad stelt vast dat met het nadere besluit van 13 december 2010 en de brief van 1 maart 2011 geheel aan appellantes bezwaren is tegemoet gekomen, zodat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. De Raad zal dit hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

4.2. Namens appellante is voorts gewezen op de lange duur van de procedure in totaal. Appellante heeft in dit kader een beroep gedaan op artikel 6 van het EVRM en heeft de Raad verzocht om haar een schadevergoeding toe te kennen.

4.3. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.4. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het – tegen het besluit van 13 oktober 2004 ingediende – bezwaarschrift van appellante op 3 november 2004 tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna zes maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op

13 mei 2005 tot de uitspraak op 16 maart 2006 tien maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift per fax op 18 april 2006 tot deze uitspraak op 2 augustus 2011 vijf jaar en bijna vier maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad.

4.5. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de Raad. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. In de vervolgprocedure kan worden bezien in hoeverre in dit geval een verlenging van de behandelingsduur in hoger beroep gerechtvaardigd is door de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Deze kosten dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende Bijlage, waarbij rekening moet worden gehouden met de proceshandelingen in de nationale procedure en de procedure bij het Hof. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 322,-- in beroep en € 1.288,-- in hoger beroep. Dit betekent dat de totale kosten in bezwaar, beroep en in hoger beroep worden begroot op € 2.254,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat het onderzoek onder nummer 11/4208 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 2.254,--, te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) T.J. van der Torn.

EV