Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
10-1080 WJZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indicatie voor ondersteunende begeleiding. Bevoegdheid van de Raad. De aanspraak op zorg in de vorm van ondersteunende begeleiding is naar een juiste omvang vastgesteld. Geen grond om aan te nemen dat BJZ de gebruikelijke zorg die van de ouder(s) bij het ondersteunende begeleiding mag worden gevergd te ruim heeft genomen. Dat appellante deel uitmaakt van een eenoudergezin, betekent niet dat daarom van een geringere omvang van de gebruikelijke zorg dient te worden uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1080 WJZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank Rotterdam van 29 december 2009, 335232/F1 RK 09-1735 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, (hierna: BJZ)

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft C.C. Dol, juridisch adviseur bij Belangenbehartiger.nl te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

BJZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2011. Appellante is - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen. BJZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Seventer, werkzaam bij BJZ.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is de moeder van [S.], geboren op [datum] 1992, die gediagnosticeerd is met PDD-NOS. Tevens is vastgesteld dat bij [S.] sprake is van discrepantie in het intelligentieprofiel, van vermoeidheidsklachten en van dyslexie. Appellante heeft voor [S.] op 10 september 2008 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet op de jeugdzorg (WJZ) een indicatie voor zorg aangevraagd. De hulpvraag betreft persoonlijke verzorging (hierna: PV), ondersteunende begeleiding (hierna: OB alg), ondersteunende begeleiding dagprogramma (hierna: OB dag), activerende begeleiding (hierna: AB) en verblijf tijdelijk (hierna: VT) als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de WJZ.

1.2. BJZ heeft de aanvraag bij besluit van 14 november 2008 toegewezen. [S.] is blijkens dat besluit voor de periode van 14 november 2008 tot 14 nov 2009 geïndiceerd voor:

- PV nihil

- OB alg klasse 2 (2-3,9 uur per week)

- OB dag1 dagdeel per week

- AB alg nihil

- VT1 etmaal per week.

1.3. BJZ heeft het bezwaar van appellante tegen dat besluit bij beslissing op bezwaar van 25 juni 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard. De indicatie is na heroverweging vastgesteld op:

- PV nihil

- OB alg klasse 3 (4-6,9 uur per week)

- OB dag1 dagdeel per week

- AB alg klasse 1 (0-1,9 uur per week)

- VT1 etmaal per week.

2. De kinderrechter als bestuursrechter (hierna: de rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 25 juni 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente is afgewezen. Tevens zijn bepalingen over proceskosten en griffierecht gegeven. Naar deze uitspraak wordt verwezen.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat in de door BJZ beschreven procedure die is gehanteerd om de zorgbehoefte van [S.] in kaart te brengen geen onzorgvuldigheden zijn aan te wijzen. Evenmin kan zij zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het te verrichten onderzoek vormvrij is en dat het dossieronderzoek, de telefonische indicatiestelling en hetgeen in de bezwaarcommissie is behandeld voldoende is om een beslissing te nemen. Het onderzoek is niet vormvrij omdat de te volgen werkwijze is vastgelegd in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ. Deze voorzien in een trechtermodel van te volgen onderzoeksstappen. Appellante heeft niet kunnen vaststellen dat deze werkwijze is toegepast. Een scoringslijst van te onderzoeken stoornissen, beperkingen en participatieproblemen ontbreekt. Op 14 november 2008 heeft de indicatiesteller telefonisch contact gehad met appellante. Daarbij zijn de beperkingen van [S.] en het gezin uitgebreid besproken. Voorts heeft de indicatiesteller dossieronderzoek gedaan en rapportages gelezen. Uit het besluit blijkt echter niet op welke wijze rekening is gehouden met de beperkingen, de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid van [S.], met haar school en vrije tijdsbesteding, met de gezins- en opvoedingssituatie en met de hulpvraag. Niet blijkt dat een deskundige op het gebied van autisme en hoogbegaafdheid naar de situatie van [S.] heeft gekeken. Als er wel een deskundige bij het onderzoek betrokken is geweest, is niet duidelijk of hij beschikt over specifieke deskundigheid en ontbreekt er een verslag van bevindingen. Onduidelijk is ook of hij BIG-geregistreerd is. Tevens is appellante ten onrechte de mogelijkheid van een second opinion als bedoeld in artikel 36 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (Uitvoeringsbesluit Wjz) onthouden. BJZ heeft nagelaten de volledige (boven)gebruikelijke zorg in kaart te brengen en niet expliciet rekening gehouden met het gegeven dat sprake is van een eenoudergezin. Ten onrechte is de indicatie voor OB alg opgeknipt in een indicatie voor ondersteunende begeleiding bij persoonlijke verzorging (klasse 1), vrije tijdsbesteding (klasse 1) en structureren, organiseren en plannen (klasse 1). Dit staat haaks op de werkwijze die volgens de beleidsregels had moeten worden gevolgd. BJZ had concreet moeten onderzoeken hoeveel zorg, steun en begeleiding [S.] nodig heeft bij de verschillende activiteiten.

3.2. BJZ stelt zich op het standpunt dat zorgvuldig en integraal onderzoek is gedaan, waarbij de Beleidsregels indicatiestelling 2008 tot uitgangspunt zijn genomen. Dit impliceert dat ook het daarin genoemde trechtermodel is gebruikt. Bij de beoordeling is tevens gebruik gemaakt van informatie van de behandelende sector, te weten drs. P.F.A. de Nijs, die als kinder- en jeugdpsychiater is verbonden aan het Erasmus MC te Rotterdam. De daarin genoemde diagnose is overgenomen en is tussen partijen dan ook niet in geschil. Dit betekent dat de mogelijkheid van een second opinion als bedoeld in artikel 36 van het Uitvoeringsbesluit Wjz niet aan de orde is. De bij het trechtermodel behorende scorelijst is niet gebruikt omdat deze pas in 2009, dus na de in geding zijnde indicatiestelling, is ingevoerd. Bovendien is deze scorelijst bedoeld om vast te stellen of iemand toegang heeft tot de functie begeleiding en niet om vast te stellen hoeveel uren begeleiding nodig zijn. BJZ stelt zich voorts op het standpunt dat voldaan is aan artikel 35 van het Uitvoeringsbesluit Wjz omdat een gedragswetenschapper supervisie heeft uitgeoefend. De regeling houdt niet in dat deze gespecialiseerd moet zijn in de specifieke problematiek van het kind en evenmin dat hij BIG-geregistreerd zou moeten zijn. Met betrekking tot de (boven)gebruikelijke zorg is BJZ van mening dat op grond van de regelgeving geen rekening behoeft te worden gehouden met het feit dat sprake is van een eenoudergezin. BJZ acht de indicatie voor OB alg voldoende gemotiveerd, te meer nu appellante niet heeft gespecificeerd op welke wijze zij tot een hoger aantal uren is gekomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bevoegdheid

4.1.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2008, LJN BD1113, r.o. 4.2.4, stelt de Raad vast dat hij bevoegd is om van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen, nu dit is gericht tegen een uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter inzake een indicatiebesluit dat zijn grondslag vindt in de WJZ.

4.2. Wettelijk kader

4.2.1. Een stichting als BJZ heeft op grond van artikel 5, eerste lid, van de WJZ tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

4.2.2. Op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de WJZ behoort tot de in artikel 5, eerste lid, van de WJZ bedoelde taak het vaststellen of een cliënt is aangewezen op jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, of op zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat.

4.2.3. Ingevolge artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit Wjz, voor zover hier van belang, is als vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de WJZ onder meer aangewezen ondersteunende begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychisch of psychosociaal probleem, doch slechts voor zover deze zorg of het verblijf betrekking heeft op een jeugdige.

4.2.4. Ingevolge artikel 21, tweede lid, in verbinding met artikel 18, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wjz dient een stichting als BJZ de omvang van de indicatie voor ondersteunende begeleiding uit te drukken in een minimum en een maximum aantal contacturen, waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van het minimum en maximum bedraagt.

4.2.5. Op grond van artikel 30 van het Uitvoeringsbesluit Wjz dient een stichting als BJZ ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, de problemen van een cliënt en de ernst hiervan te bezien. Zij behoort daarvoor onderzoek te doen naar de psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel de psychiatrische aandoening van de jeugdige, de problemen van de cliënt, niet zijnde de jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van de jeugdige belemmeren, en bovendien aandacht te besteden aan de opvoedingssituatie. Bij haar onderzoek dient zij tevens factoren te betrekken die de ontwikkeling van de jeugdige gunstig beïnvloeden of kunnen beïnvloeden.

4.2.6. Artikel 35 van het Uitvoeringsbesluit Wjz bepaalt dat een stichting als BJZ geen indicatiebesluit neemt dan nadat een ontwerp daarvan ter beoordeling is voorgelegd aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper.

4.2.7. Artikel 36 van het Uitvoeringsbesluit Wjz bepaalt, voor zover van belang, dat een stichting als BJZ de bij het opstellen van het indicatiebesluit gebruikte test- en onderzoeksgegevens van gedragsdeskundig of psychiatrisch onderzoek, door een deskundige laat interpreteren en van een advies laat voorzien, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet.

4.2.8. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de WJZ geeft een stichting als BJZ, indien zij een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, daarbij in ieder geval:

a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;

b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel;

c. de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen;

d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht;

e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.

4.3. De Raad stelt op grond van het hoger beroepschrift vast dat het hoger beroep zich richt tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 juni 2009. In geschil is of de aanspraak op zorg in de vorm van ondersteunende begeleiding naar een juiste omvang is vastgesteld. Appellante wil daarvoor meer uren dan BJZ heeft geïndiceerd.

4.4.1. De Raad stelt vast dat de beroepsgronden van appellante er in de kern op neerkomen dat het verrichte onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de bevindingen en conclusies onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt. Deze beroepsgronden treffen geen doel. Anders dan appellante, is de Raad van oordeel dat het onderzoek van BJZ wel voldoende zorgvuldig is geweest. Er is (telefonisch) contact geweest met appellante waarbij de voor de beoordeling van de aanspraak op zorg relevante gegevens met haar zijn besproken. Tevens heeft de indicatiesteller dossieronderzoek verricht en heeft hij de van de behandelende sector, de kinder- en jeugdpsychiater drs. De Nijs, verkregen gegevens bij zijn beoordeling betrokken. De Raad is niet gebleken dat bij die beoordeling het bepaalde in de artikelen 35 en 36 van het Uitvoeringsbesluit Wjz is miskend. BJZ heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat een deskundige, als bedoeld in artikel 35, supervisie heeft uitgeoefend en toepassing van artikel 36 is niet aan de orde nu BJZ de door drs. De Nijs gestelde diagnose tot de zijne heeft gemaakt, zodat er geen aanleiding was om test- en onderzoeksgegevens te laten interpreteren door een deskundige. De Raad is voorts van oordeel dat BJZ voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe en op grond van welke gegevens de zorgbehoefte is vastgesteld en dat deze voor OB alg aanleiding geeft tot indeling in de klasse 3. De benodigde tijd voor de daarvoor in aanmerking komende activiteiten, te weten begeleiding bij persoonlijke verzorging, vrije tijdsbesteding en structureren, organiseren en plannen heeft BJZ in dit geval in het licht van artikel 21, tweede lid, Uitvoeringsbesluit Wjz toereikend gepreciseerd.

4.4.2. De Raad ziet geen reden om de omvang van de door BJZ geïndiceerde zorg voor ondersteunende begeleiding onjuist te achten. Appellante heeft weliswaar gesteld dat meer uren nodig zijn, maar zij heeft die stelling niet onderbouwd met concrete precieze gegevens die aantonen dat BJZ te weinig zorguren heeft geïndiceerd.

4.4.3. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat BJZ de gebruikelijke zorg die van de ouder(s) bij het ondersteunende begeleiding mag worden gevergd te ruim heeft genomen. Dat appellante deel uitmaakt van een eenoudergezin, betekent volgens de Beleidsregels Indicatiestelling AWBZ 2008 niet dat daarom van een geringere omvang van de gebruikelijke zorg dient te worden uitgegaan.

4.4. Uit 4.4.1 tot en met 4.4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD