Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
09-704 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering. De Raad volgt het oordeel van de onafhankelijke, ingeschakelde deskundige. Het Uwv heeft naar aanleiding daarvan functies bijgeduid. Nu geen sprake is van het bijduiden van functies die vallen onder een voorgehouden SBC-code, maar van functies die in het kader van een eerdere schatting zijn voorgehouden betekent dit dat het op de weg van het Uwv ligt om aannemelijk te maken dat het betrokkene duidelijk had kunnen zijn dat hij voor het vervullen van de functies geschikt zou kunnen worden geacht. Het Uwv is hierin niet geslaagd. Onvoldoende arbeidskundige onderbouwing. De Raad draagt het Uwv op nader arbeidskundig onderzoek te verrichten en te beoordelen of de ongewijzigde voortzetting van betrokkenes WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% per 20 juli 2006 kan worden gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/704 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 december 2008, 07/291 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 29 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld, waarbij als bijlage gevoegd een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.

Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Bij rapport van 4 augustus 2009 heeft psychiater drs. P.J. Vervoort vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding onder nummer 06/4699 WAO, plaatsgevonden op

25 november 2009 waar betrokkene met bericht niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.M. van Haaften.

Na de zitting heeft de Raad de behandeling van voormelde zaken gesplitst. De Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen en prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, als deskundige te benoemen.

Op 1 juli 2010 heeft deze deskundige van zijn onderzoek rapport uitgebracht, op welk rapport door betrokkene is gereageerd.

Op verzoek van de Raad heeft psychiater Vervoort gereageerd op het rapport van psychiater Koerselman.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak tussen partijen van heden in het geding met kenmerk 06/4699 WAO. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.

2. Bij besluit van 20 juli 2006 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wederom vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daaraan liggen nagenoeg dezelfde overwegingen ten grondslag als die welke ten grondslag liggen aan het besluit dat in de procedure 06/4699 WAO ter toetsing voorligt (kort weergegeven: dat betrokkene ondanks zijn lichamelijke en psychische klachten in staat is om de aan hem voorgehouden functies te vervullen). Betrokkene heeft tegen het besluit van 20 juli 2006 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In het kader van dit beroep heeft de rechtbank psychiater P. Vervoort om advies gevraagd. In zijn rapport van 20 juni 2008 is deze deskundige tot de conclusie gekomen dat voor betrokkene meer beperkingen ten aanzien van met name het sociaal en persoonlijk functioneren gelden dan door appellant in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 februari 2006 is aangenomen. Naar aanleiding van dit rapport heeft bezwaarverzekeringsarts K. Corten een deel van de door psychiater Vervoort geconstateerde beperkingen overgenomen en neergelegd in een aangepaste FML van 8 juli 2008; ten aanzien van een ander deel daarvan heeft de bezwaarverzekeringsarts psychiater Vervoort niet gevolgd. In reactie op het rapport van deze bezwaarverzekeringsarts van

8 juli 2008 en de gewijzigde FML van gelijke datum concludeert psychiater Vervoort onder meer dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte de FML niet heeft aangepast ten aanzien van betrokkenes persoonlijk functioneren. Voorts wordt de voor betrokkene geldende Gaf score naar beneden bijgesteld tot 31-40.

4. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 februari 2007 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad van onder andere 22 juli 2005, USZ 2005/345, overwogen geen aanleiding te zien om de conclusies van psychiater Vervoort omtrent de beperkingen van betrokkene niet te volgen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de door haar benoemde deskundige een eigen onderzoek heeft ingesteld naar de gezondheidstoestand van betrokkene, dat hij kennis heeft genomen van de medische gegevens die voorhanden waren, en dat hij zijn bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd. Tot slot stelt de rechtbank dat de deskundige zijn oordeel, naar aanleiding van kritiek van de bezwaarverzekeringsarts op zijn rapport, nader heeft toegelicht en zorgvuldig heeft heroverwogen.

5. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar het rapport van 2 februari 2009 van bezwaarverzekeringsarts Corten, voornoemd. Deze arts stelt daarin - samengevat - dat betrokkene sinds vele jaren, ondanks de aanwezige beperkingen, als belastbaar voor arbeid wordt gezien en dat deze mening van het Uwv in eerdere bezwaar- en beroepsprocedures is bevestigd. Corten verwijst naar het rapport van psychiater Van Weers, welk rapport op verzoek van de Raad in de procedure 06/4699 WAO, is uitgebracht waarin dit standpunt naar haar oordeel wordt bevestigd. Psychiater Vervoort komt naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, na een eenmalig gesprek met betrokkene, tot een geheel andere conclusie welke naar oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende onderbouwd is. Betrokkene heeft in verweer het standpunt van de rechtbank onderschreven en verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De Raad heeft aanleiding gezien om psychiater prof. dr. G.F. Koerselman als deskundige te benoemen. Deze heeft betrokkene op 11 mei 2010 onderzocht en bij rapport van 1 juli 2010 verslag uitgebracht aan de Raad. Koerselman is tot de conclusie gekomen dat er bij betrokkene sprake is van de stoornis van Asperger, waarbij hij voorts aantekent dat die diagnose een grote overlap vertoont met die van een persoonlijkheidsstoornis met dwangmatige en ontwijkende trekken. Bij zijn onderzoek waren er volgens Koerselman geen aanwijzingen voor een depressie of enige andere psychiatrische aandoening.

Volgens Koerselman is er geen grond aanwezig voor het aannemen van beperkingen ten aanzien van het concentreren, het verdelen van aandacht en van zelfstandig functioneren. Noch de stoornis van Asperger noch een persoonlijkheidsstoornis hoeft gepaard te gaan met beperkingen op deze aspecten. Bovendien is volgens Koerselman van belang dat betrokkene in staat blijkt te zijn geweest tot vormen van functioneren die met zulke beperkingen in strijd zijn. Naar het oordeel van Koerselman is de bezwaarverzekeringsarts met het door haar vastgestelde belastbaarheidspatroon zoals dat is neergelegd in de FML van 8 juli 2008 ruimschoots tegemoet gekomen aan de beperkingen die betrokkene op de datum in geding ondervond als gevolg van de eerder genoemde psychiatrische stoornis. In antwoord op de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor betrokkene geschikt zijn heeft Koerselman te kennen gegeven dat indien de belasting in deze functies de bij de FML vastgestelde belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt, deze functies in principe passend kunnen worden geacht.

6.2. De door de rechtbank geraadpleegde psychiater Vervoort heeft bij brief van 10 september 2010 gereageerd op het rapport van psychiater Koerselman en daarin te kennen gegeven vast te houden aan de diagnose persoonlijkheidsstoornis welke door psychiater Koerselman ook niet direct wordt bestreden. Voorts heeft psychiater Vervoort de Raad meegedeeld dat hij na het lezen van het rapport van psychiater Koerselman ervan overtuigd is geraakt dat de beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 8 juli 2008, voldoende recht doen aan de gevolgen van de stoornis van betrokkene.

6.3. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken, is de Raad niet gebleken. De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van Koerselman ten aanzien van de psychische beperkingen, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat deze zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek, de in het dossier aanwezige stukken waaronder het rapport van psychiater Vervoort, de informatie van de behandelend sector en de anamnese. Daarbij wijst de Raad erop dat Koerselman in zijn rapportage inzichtelijk en gemotiveerd te kennen heeft gegeven waarom hij de juistheid van de FML van 8 juli 2008 onderschrijft.

6.4. Vervolgens dient de Raad te beoordelen of de geduide functies terecht aan de onderhavige schatting ten grondslag zijn gelegd en voorts of de belasting in deze functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt.

6.5 Bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald heeft in zijn rapport van 22 juli 2008 twee van de drie aan de huidige schatting ten grondslag liggende functies laten vervallen, te weten de functie parkeercontroleur (SBC-code 342022) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), aangezien de belasting in deze functies niet binnen de ten aanzien van betrokkene vastgestelde belastbaarheid bleef. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige twee functies bijgeduid die in het kader van een eerdere beoordeling aan appellant zijn voorgehouden, te weten productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180, met functienummers 8142-0778-017 en 8311-1338-002). Hierdoor berustte de schatting wederom op drie functies en bleef de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 25 tot 35%. Met betrekking tot het bijduiden van deze functies heeft appellant gesteld dat hij een dergelijke bijduiding toelaatbaar acht en dat alle functies actueel zijn en alle signaleringen naar aanleiding van de toegenomen beperkingen zijn gemotiveerd.

6.6. Dienaangaande overweegt de Raad dat volgens vaste rechtspraak functies mogen worden bijgeduid indien het betrokkene op grond van voorgehouden functies voldoende duidelijk kon zijn dat hij ook voor het vervullen van de bijgeduide functies geschikt zou kunnen worden geacht. Daarbij geldt dat er in ieder geval sprake is van een voldoende mate van verwantschap indien functies worden bijgeduid die vallen onder een voorgehouden SBC-code, aangezien het daarbij gaat om functies die qua werkzaamheden voor ten minste 65% overeenstemmen. De mate van verwantschap tussen voorgehouden functies en de bijgeduide functies wordt vastgesteld op basis van de aard en inhoud van de aan de bijgeduide en de voorgehouden functies verbonden werkzaamheden.

6.7. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van het bijduiden van functies die vallen onder een voorgehouden SBC-code, maar van functies die in het kader van een eerdere schatting aan appellant zijn voorgehouden betekent dit dat het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat het betrokkene duidelijk had kunnen zijn dat hij voor het vervullen van de functies geschikt zou kunnen worden geacht. De vraag of appellant hierin is geslaagd beantwoordt de Raad ontkennend. Gezien het feit dat betrokkenes psychische gezondheidstoestand in de periode tussen 1 juli 2004 en 20 juli 2006 aanzienlijk is verslechterd, hetgeen bevestigd wordt door de aanscherping van de FML van 24 februari 2006 ten aanzien van een aanzienlijk aantal aspecten in de rubrieken persoonlijk- en sociaal functioneren, is de Raad van oordeel dat door appellant in onvoldoende mate is aangetoond dat het voor betrokkene duidelijk kon zijn dat hij ook per 20 juli 2006 in staat was de functies te vervullen die hem per 1 juli 2004 als zijnde geschikt waren voorgehouden.

6.8. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit, wat de arbeidskundige onderbouwing ervan betreft, onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en een draagkrachtige motivering ontbeert. Hierin ziet de Raad aanleiding om appellant – met toepassing van de in artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet – op te dragen dit gebrek in (de voorbereiding van) het bestreden besluit te herstellen. Appellant dient nader arbeidskundig onderzoek te verrichten. Aan de hand van de resultaten van dat onderzoek moet appellant beoordelen of de ongewijzigde voortzetting van betrokkenes WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% per 20 juli 2006 kan worden gehandhaafd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt appellant op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

NW