Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
09-1574 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1574 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 februari 2009, 08/893 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.H. Sloof, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sloof en

M. Al Hamawandi, tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij, werkzaam bij de gemeente Almere.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 18 april 2005 met een onderbreking van 9 oktober 2005 tot 15 november 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een bij het College gerezen vermoeden dat appellant meer uren heeft gewerkt en meer inkomsten heeft genoten dan hij bij het College heeft opgegeven en niet heeft gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voert met S. [K.] (hierna: [K.]), heeft de Sociale Recherche Flevoland (hierna: sociale recherche) voor het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is bij diverse instanties, waaronder de Kamer van Koophandel en de regiopolitie Flevoland, informatie ingewonnen, zijn diverse getuigen/buurtbewoners gehoord, hebben observaties plaatsgevonden en zijn appellant en [K.] verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 februari 2008. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 19 februari 2008 de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2008 te beƫindigen (lees: in te trekken).

1.3. Bij besluit van 29 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2008 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het College slechts gedeeltelijk melding te maken van de door hem voor restaurant [naam restaurant] te [plaatsnaam] verrichte werkzaamheden en uit die werkzaamheden genoten inkomsten en geen melding te maken van het feit dat hij een gezamenlijke huishouding voert met [K.] op het adres [adres] te [plaatsnaam] en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep van appellant tegen het besluit van 29 april 2008 gegrond verklaard en dat besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College op goede gronden heeft aangenomen dat appellant met [K.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de woning aan de [adres] en dat hij meer dan de opgegeven 20 uur per maand werkzaam is geweest bij [naam restaurant]. Appellant heeft door daarvan bij het College geen melding te maken de inlichtingenverplichting geschonden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, ofschoon het College niet exact heeft vastgesteld hoeveel uren hij wel werkzaam is geweest bij [naam restaurant], appellant, gezien de verzwegen samenwoning, geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 29 april 2008 in stand zijn gelaten. Appellant heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij voor 20 uur per maand werkzaam was bij [naam restaurant] en dit heeft opgegeven bij het College.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van

1 februari 2008 tot en met 19 februari 2008.

4.2. Met betrekking tot de vraag of appellant ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd overweegt de Raad als volgt.

4.2.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

4.2.2. Naar het oordeel van de Raad bieden de bevindingen van het onderzoek onvoldoende grondslag voor het standpunt dat appellant en [K.] gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat [K.] op 24 januari 2008 tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat appellant af en toe blijft slapen op het adres [adres], maar bij herhaling heeft verklaard dat appellant daar niet met haar samenwoont. Weliswaar is [K.] later in dit verhoor op deze verklaringen teruggekomen en heeft zij verklaard wel met appellant samen te wonen, maar onduidelijk is op grond waarvan [K.] plotseling tot die andere conclusie is gekomen. Verder is de Raad van oordeel dat de verklaringen die enkele buurtbewoners op 24 januari 2008 hebben afgelegd onvoldoende concreet of controleerbaar zijn om te kunnen spreken van hoofdverblijf van appellant en [K.] in dezelfde woning. De verrichte observaties kunnen evenmin tot die conclusie leiden, nu niet voldoende duidelijk blijkt waar, hoe vaak en op welk tijdstip is geobserveerd.

4.3. Met betrekking tot de vraag of appellant ten tijde hier van belang meer heeft gewerkt bij [naam restaurant] dan de 20 uur per maand die hij heeft opgegeven bij het College overweegt de Raad als volgt.

4.3.1. In het rapport van de sociale recherche van 15 februari 2008 wordt melding gemaakt van waarnemingen in november 2007, december 2007 en januari 2008 bij het restaurant [naam restaurant], waarbij is gebleken dat appellant meer dan 20 uur per maand heeft gewerkt. In reactie op deze waarnemingen heeft appellant op 24 januari 2008 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij altijd in de zaak is. Hij brengt [K.] naar de zaak en weer terug naar huis. In de tussentijd is hij daar en doet tussendoor af en toe werk. Als verklaring voor het feit dat op de aanvraag voor een vergunning om alcoholvrije drank te verstrekken is vermeld dat appellant de bedrijfsleider is en steeds in de zaak aanwezig is tijdens openingstijden, wat neer komt op 76 uur per week, heeft appellant verklaard dat hij deze aanvraag als bedrijfsleider heeft ingevuld en er altijd is wanneer [K.] er is. [K.] heeft op 24 januari 2008 tegenover de sociale recherche verklaard dat appellant langer dan 20 uur per maand in de zaak aanwezig is, dat hij klanten aanspreekt en af en toe werkzaamheden verricht buiten die 20 uur. Verder heeft de heer [H.], van beroep toezichthouder en werkzaam in het centrum van [plaatsnaam] via de Stichting [naam stichting], op 31 oktober 2007 tegenover de sociale recherche verklaard door zijn werk dagelijks door het centrum van [plaatsnaam] te lopen om toezicht te houden en daarom te weten dat appellant elke dag in [naam restaurant] werkt.

4.3.2. Op grond van het voorgaande is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat appellant meer uren in [naam restaurant] aanwezig is geweest dan hij aan het College heeft opgegeven. Naar vaste rechtspraak van de Raad veronderstelt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek dat de desbetreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Het tegendeel heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.

4.3.3. Gezien het voorgaande komt de Raad evenals de rechtbank, zij het op andere gronden, tot de slotsom dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu als gevolg van die schending het recht op bijstand van appellant over de hier te beoordelen periode van 1 februari 2008 tot en met

18 februari 2008 niet kan worden vastgesteld en aan hem daarom ten onrechte bijstand is verleend, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant met ingang van

1 februari 2008 in te trekken. Appellant heeft de wijze waarop het College van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

ew