Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
09-5862 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende beoordeling. Appellant is niet in aanmerking gebracht voor de functie van senior p.i.w.-er. Geen sprake van schending van de (beoordelings)voorschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5862 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 15 oktober 2009, 08/657 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 21 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2011. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A.J. Hes-Roeleveld, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch, en door drs. ing. M. Thomas en H. van der Wijk, beiden werkzaam bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant is vanaf 1984 werkzaam als penitentiair inrichtingswerker (p.i.w.-er) bij de penitentiaire inrichting Noord, locatie De Grittenborgh. Sinds 2003 is hij aangesteld als medior p.i.w.-er. In juli 2003 heeft appellant gesolliciteerd naar de functie van senior p.i.w.-er. Wegens onvoldoende functioneren is hij bij besluit van 30 oktober 2003 niet in die functie benoemd. Zijn bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 24 maart 2004 gegrond verklaard, waarbij hem een geschiktheidstraject van een jaar is aangeboden, om toe te werken naar de functie van senior p.i.w.-er. Bij besluit van 15 juni 2006 heeft de minister vastgesteld dat dit geschiktheidstraject is afgesloten met een negatieve beoordeling, maar dat appellant niet in de gelegenheid is gesteld om het hele traject te doorlopen. Daarom is appellant een tweede geschiktheidstraject aangeboden van een jaar, ingaande 1 juli 2006. Bij besluit van 16 juni 2006 is de negatieve beoordeling over de periode 24 maart 2004 tot 24 maart 2005 definitief vastgesteld. Bij besluit van 26 april 2007 heeft de minister de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 15 en 16 juni 2006 ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Nadat hem in 2004 en in 2005 disciplinaire straffen waren opgelegd wegens eigenmachtig optreden, is appellant op 7 maart 2007 de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd. Het hoger beroep van appellant ter zake van (de handhaving van) laatstgenoemd strafbesluit is door de Raad ongegrond verklaard bij zijn uitspraak van 29 oktober 2009, 08/3627AW, LJN BK2536.

1.3. Op 1 september 2007 is een beoordeling opgemaakt over de periode van 1 juli 2006 tot 1 juli 2007. Bij besluit van 25 oktober 2007 (hierna: besluit 1) is deze beoordeling door de beoordelingsautoriteit vastgesteld. Vijf afzonderlijke gezichtspunten, alsmede de functievervulling in haar geheel, zijn daarbij met een B (onvoldoende) gewaardeerd.

1.4. Bij besluit van 23 oktober 2007 (hierna: besluit 2) is appellant niet in aanmerking gebracht voor de functie van senior p.i.w.-er.

1.5. De tegen de besluiten 1 en 2 gemaakte bezwaren zijn ongegrond verklaard bij besluit van 6 juni 2008 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant wat betreft besluit 1 gesteld dat de minister procedurefouten heeft gemaakt bij de beoordeling. Daarom moet deze beoordeling worden vernietigd, en zou hij met terugwerkende kracht tot 1 juli 2003 tot senior p.i.w.-er moeten worden benoemd. Wat besluit 2 betreft heeft appellant voorts gesteld dat hij ongelijk behandeld wordt ten opzichte van collega’s die wel bevorderd zijn; hij ervaart zijn behandeling door de dienstleiding als ‘pesten’ en ‘gezocht worden’.

De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1. In het Beoordelingsvoorschrift Ministerie van Justitie 2000 (hierna: Beoordelingsvoorschrift) is de procedure beschreven die bij een beoordeling moet worden gevolgd. Naar aanleiding van de door appellant gestelde schendingen van procedurevoorschriften overweegt de Raad het volgende.

4.1.1. De beoordeling is opgemaakt op 1 september 2007. Het beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2007. Dit is volgens appellant in strijd met artikel 6, vijfde lid, van het Beoordelingsvoorschrift. Daarin is bepaald dat uiterlijk vier weken na het tijdstip waarop, zoals aangeduid in artikel 5, achtste lid, de beoordeling werd opgemaakt, de beoordeling door de beoordelaar(s) met de ambtenaar wordt besproken.

De Raad is van oordeel dat hier geen sprake is van schending van de voorschriften. Artikel 5, achtste lid, van het Beoordelingsvoorschrift bepaalt dat na het opmaken van de beoordeling deze door de beoordelaars wordt ondertekend. Dit is blijkens het beoordelingsformulier op 11 september 2007 gebeurd. De termijn van vier weken, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van het Beoordelingsvoorschrift begint te lopen na dat tijdstip van ondertekening. De bespreking op 1 oktober 2007 was dus ruim binnen die termijn.

4.1.2. Het beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden tussen appellant en de beide beoordelaars, [A.] en [B.]. Appellant heeft gesteld dat niet alle beoordelaars bij het gesprek aanwezig waren, nu de medebeoordelaars [C., D. en E.] daarbij ontbraken.

De Raad overweegt dat de genoemde personen blijkens het beoordelingsformulier geen medebeoordelaar waren, maar informanten, die blijkens het Beoordelingsvoorschrift een andere rol vervullen dan beoordelaars, namelijk het verstrekken van inlichtingen van feitelijke aard omtrent de functievervulling. Zij behoefden gelet op artikel 6, vijfde lid, van het Beoordelingsvoorschrift niet bij het beoordelingsgesprek aanwezig te zijn.

4.1.3. Appellant heeft gesteld dat hij ten onrechte niet voorafgaand aan het vaststellen van de beoordeling is gehoord door de beoordelingsautoriteit over zijn bezwaren tegen de beoordeling.

De Raad stelt vast dat artikel 7 van het Beoordelingsvoorschrift bepalingen bevat over het horen van de beoordeelde, de beoordelaars en eventuele andere personen door de beoordelingsautoriteit. Die hoorplicht geldt op grond van artikel 7, eerste lid, alleen als de ambtenaar binnen twee weken na kennisneming van de beoordeling schriftelijk bedenkingen hiertegen indient bij de beoordelingsautoriteit, dan wel om verlenging van deze termijn verzoekt. Appellant heeft blijkens het beoordelingsformulier op 8 oktober 2007 kennis genomen van de beoordeling met inbegrip van samenvatting van tijdens het beoordelingsgesprek ter sprake gebrachte punten. Hij heeft echter geen gebruik gemaakt van de - ook op het beoordelingsformulier vermelde - mogelijkheid om binnen twee weken na die datum schriftelijk bedenkingen in te dienen; evenmin heeft hij om verlenging van die termijn verzocht. Van een schending van de hoorplicht door de beoordelingsautoriteit is dan ook naar het oordeel van de Raad geen sprake.

4.2. Wat betreft besluit 2 stelt de Raad vast dat bij het in rechte vaststaande besluit van 15 juni 2006 aan appellant een tweede geschiktheidstraject is aangeboden, waarbij, indien dat traject alsnog met een positieve beoordeling zou worden afgesloten, benoeming in de functie van senior p.i.w.-er zou plaatsvinden, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2003. Appellant heeft echter niet aan de gestelde voorwaarde voldaan; om die reden heeft hij dan ook geen aanspraak op de door hem gewenste bevordering.

De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor de door appellant gestelde ongelijke behandeling ten opzichte van collega’s die wel bevorderd zijn; ter zitting heeft appellant desgevraagd ook geen concrete voorbeelden genoemd waaruit de gestelde ongelijke behandeling is af te leiden. Ook voor de door appellant gebruikte kwalificaties ‘pesten’ en ‘gezocht worden’ door de dienstleiding ziet de Raad geen concrete aanwijzingen.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2011.

(get.) K.J. Kraan.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD