Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
10-1460 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering teveel betaalde suppletie. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het besluit van 3 september 2007 wel als een eerste terugvorderingshandeling kan worden gezien. Daaraan doet niet af dat in dat besluit ten onrechte is vermeld dat de opdracht tot terugvordering namens het UWV is ingesteld. Hier is sprake van een onzorgvuldige omschrijving van de omstandigheid dat Loyalis op dat moment het UWV was opgevolgd als gemandateerde van appellant. Loyalis was als zodanig bevoegd om namens appellant ten onrechte of te veel betaalde suppletie terug te vorderen. Bovendien is het vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 3 juli 2008, LJN BD7241) dat ook een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling van een niet bevoegd bestuursorgaan dat tot terugvordering zal worden overgegaan een eerste terugvorderingshandeling kan zijn. Terugverwijzing naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1460 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 januari 2010, 09/3315 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 28 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties BV (hierna: Loyalis). Namens betrokkene is haar echtgenoot, [naam echtgenoot van betrokkene], verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan betrokkene is met ingang van 1 maart 2006 een suppletie-uitkering op grond van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijspersoneel (BZA) toegekend, in aanvulling op haar uitkering krachtens de WAO, die op dat moment berekend werd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. In maart 2007 is met terugwerkende kracht de WAO-uitkering verhoogd en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 27 augustus 2007 is aan betrokkene met ingang van 1 maart 2006 tevens een invaliditeitspensioen toegekend. De verhoging van de WAO-uitkering heeft geleid tot een nabetaling aan betrokkene.

1.3. Van betrokkene is bij besluit van 3 september 2007 een bedrag van € 9.317,09 teruggevorderd aan ten onrechte verstrekte suppletie en bovenwettelijke werkloosheidsuitkering over de periode van maart 2006 tot en met februari 2007. Bij besluit van 11 juni 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene tegen de terugvordering gegrond verklaard en is een bedrag van € 4.719,61 teruggevorderd aan ten onrechte verstrekte suppletie over de periode van maart 2006 tot en met februari 2007.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Volgens de rechtbank was appellant niet meer bevoegd om tot terugvordering over te gaan omdat de eerste mededeling tot terugvordering namens het bevoegd gezag is gedaan meer dan twee jaren na de dag van betaalbaarstelling.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het besluit van 3 september 2007 wel als een eerste terugvorderingshandeling kan worden gezien. Daaraan doet niet af dat in dat besluit ten onrechte is vermeld dat de opdracht tot terugvordering namens het UWV is ingesteld. Hier is sprake van een onzorgvuldige omschrijving van de omstandigheid dat Loyalis op dat moment het UWV was opgevolgd als gemandateerde van appellant. Loyalis was als zodanig bevoegd om namens appellant ten onrechte of te veel betaalde suppletie terug te vorderen. Bovendien is het vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 3 juli 2008, LJN BD7241) dat ook een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling van een niet bevoegd bestuursorgaan dat tot terugvordering zal worden overgegaan een eerste terugvorderingshandeling kan zijn.

3.2. Het hoger beroep van appellant slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Aangezien het geding naar het oordeel van de Raad nadere behandeling door de rechtbank behoeft, acht de Raad het gewenst de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Bekkers.

EW