Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
09-2663 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering kinderbijslag. De Svb heeft met het bestreden besluit op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad van 13 september 2007. Er zijn geen stukken overlegd waarmee bewezen zou kunnen worden dat het bedrag dat teruggevorderd wordt hoger is dan het bedrag dat appellant in totaal in de in geding zijnde periode daadwerkelijk aan kinderbijslag heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2663 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2009, 08/3080 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 29 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld en nadere gronden ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Harmelen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Svb heeft bij besluit van 25 februari 2002 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van het derde kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van zijn kinderen [A.], [B.], [C.] en [D.], aangezien [A.] op de peildatum van dat kwartaal de achttienjarige leeftijd had bereikt en de andere kinderen niet in belangrijke mate door hem zijn onderhouden.

1.2. Bij besluit van 22 juli 2002 heeft de Svb appellant meegedeeld dat hij met ingang van het derde kwartaal van 1983 geen recht heeft op kinderbijslag op de grond dat hij met ingang van dat kwartaal niet verzekerd is geweest voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

1.3. Bij besluit van 10 september 2002 heeft de Svb een bedrag van € 19.449,74 van appellant teruggevorderd, zijnde de onverschuldigd betaalde kinderbijslag over het derde kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal van 2001. In de bijlage bij dit besluit is een overzicht opgenomen van de verschillende bedragen die appellant aan kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 1983 tot en met het tweede kwartaal van 2001 heeft ontvangen. Deze bedragen zijn zowel in guldens als in euro’s vermeld.

1.4. Bij besluit van 14 december 2004 heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen de bij 1.2 en 1.3 genoemde besluiten ongegrond verklaard. De Svb handhaaft in dit besluit op bezwaar het oordeel dat appellant niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt en ook niet heeft kunnen aantonen dat hij in Nederland werkzaam is geweest.

1.5. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 5 januari 2006, 05/1861, het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 14 december 2004 ongegrond verklaard.

1.6. Appellant heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 september 2007 (LJN BB6888) heeft de Raad de bij 1.5 genoemde uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep alsnog gegrond verklaard en het besluit van 14 december 2004 vernietigd, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat appellant geen recht op kinderbijslag heeft vanaf het vierde kwartaal van 1997. Voorts heeft de Raad de Svb opgedragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.7. Ter uitvoering van de bij overweging 1.6 genoemde uitspraak van de Raad heeft de Svb bij het besluit op bezwaar van 19 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) vastgesteld dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 1997. De onverschuldigd betaalde kinderbijslag over de periode vanaf het vierde kwartaal van 1997 tot en met het tweede kwartaal van 2001 ten bedrage van € 14.950,06 wordt teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de Raad in zijn uitspraak van 13 september 2007 tot het oordeel is gekomen dat vanaf het vierde kwartaal van 1997 moet worden aangenomen dat appellant zijn woonplaats heeft verplaatst naar Tunesië, terwijl als vaststaand kan worden aangenomen dat hij niet als verzekerde kan worden aangemerkt op grond van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid. De rechtbank heeft vastgesteld dat de argumenten die appellant in het kader van de onderhavige procedure heeft aangevoerd al bij de hiervoor genoemde uitspraak van 13 september 2007 door de Raad uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen en dat dat in het bijzonder geldt ten aanzien van de herziening van het recht op kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 1997. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit heeft uit te gaan van de juistheid van het oordeel over die gronden in de uitspraak van de Raad en dat de argumenten van appellant derhalve niet kunnen leiden tot vernietiging van het (thans) bestreden besluit.

3. Namens appellant is in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat ten onrechte vanaf het vierde kwartaal van 1997 tot en met het tweede kwartaal van 2001 tot herziening van het recht op kinderbijslag is overgegaan, omdat appellant het bewezen acht dat hij in die periode zijn woonplaats niet heeft verplaatst naar Tunesië en in Nederland werkzaam is geweest. Doordat eerst enkele maanden voor de zitting bij de rechtbank een berekening is ingezonden is volgens appellant niet tijdig inzichtelijk gemaakt hoe het totaal terug te vorderen bedrag tot stand is gekomen. Ten slotte is aangevoerd dat appellant in zijn belangen is geschaad nu hij niet opnieuw gehoord is alvorens een nieuwe beslissing op bezwaar werd genomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de Svb bij het thans bestreden besluit ten onrechte het recht op kinderbijslag over de periode vanaf het vierde kwartaal van 1997 tot en met het tweede kwartaal van 2001 heeft herzien overweegt de Raad geen aanleiding te zien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft neergelegd. De Raad stelt vast dat de Svb met het bestreden besluit op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn uitspraak van 13 september 2007.

4.2. In aanmerking nemend dat als bijlage bij het besluit van 10 september 2002 reeds een volledig overzicht is gepresenteerd van de bedragen die appellant in de loop van de periode vanaf het derde kwartaal van 1983 tot en met het tweede kwartaal van 2001 aan kinderbijslag heeft ontvangen, merkt de Raad op dat appellant reeds in september 2002 geïnformeerd was over de hoogte van de terug te vorderen bedragen. Het is de Raad niet gebleken dat appellant in zijn bezwaarschrift van 16 oktober 2002 en aanvullend bezwaarschrift van 1 november 2004 heeft aangegeven dat hij bepaalde bedragen aan kinderbijslag niet heeft ontvangen of om een nadere specificatie van het terug te vorderen bedrag heeft verzocht. Het namens appellant gevoerde betoog dat de Svb nader had moeten specificeren hoe de bedragen tot stand zijn gekomen, waardoor appellant adequater had kunnen reageren, treft dan ook geen doel. De Raad stelt overigens nog vast dat gemachtigde van appellant ook geen stukken heeft overlegd waarmee bewezen zou kunnen worden dat het bedrag dat teruggevorderd wordt hoger is dan het bedrag dat appellant in totaal in de in geding zijnde periode daadwerkelijk aan kinderbijslag heeft ontvangen.

4.3. De Raad kan zich voorts geheel vinden in het oordeel van de rechtbank dat appellant niet in zijn belangen is geschaad doordat hij tijdens de procedure voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit niet gehoord is over de wijze van invordering. Volgens vaste jurisprudentie is in het eerste lid van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen van de betrokkene bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de rechter, bij welke uitspraak de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. Wel kan het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om belanghebbenden opnieuw te horen. De Raad is van oordeel dat een zodanige situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet, nu namens appellant na de meergenoemde uitspraak van de Raad geen nieuwe gronden zijn aangevoerd die het opnieuw horen noodzakelijk maakten. In dit verband wijst de Raad op de brief van gemachtigde van appellant van 23 januari 2008 aan de Svb waarin geïnformeerd wordt naar de stand van zaken en waarin geen verzoek tot het opnieuw horen van appellant is opgenomen.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Venneman.

EV