Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
09-6277 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang geding in hoger beroep. Incidenteel appel. Gronden bij verweer. Verwevenheid. Belang. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant terecht betrokkenes brief van 19 juni 2008 heeft aangemerkt als een herhaalde aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De Raad volgt de rechtbank ook in haar overweging dat betrokkene aan zijn verzoek aan appellant om terug te komen van het oorspronkelijke besluit van 15 februari 2001 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft ten onrechte niet met de vereiste terughoudendheid getoetst. Beoordeeld zal nog worden of betrokkenes brief van 19 juni 2008, mede gelet op het interne verslag van de claimbeoordelaar, kan worden beschouwd als een nieuwe aanvraag. Tegen het mogelijke besluit dat op deze beoordeling volgt kan betrokkene, indien hij dit wenst, de openstaande rechtsmiddelen aanwenden. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6277 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 oktober 2009, 09/218 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], verblijvend te [verblijfplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 27 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. H.S.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 februari 2001 heeft appellant betrokkene met ingang van 4 mei 1999 geheel en blijvend een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) geweigerd. Aan dit besluit heeft appellant primair het standpunt ten grondslag gelegd dat betrokkenes aanspraak op een uitkering door het ontbreken van informatie, dit door toedoen van betrokkene, niet kan worden beoordeeld. Subsidiair heeft appellant een Wajong-uitkering geweigerd omdat de wet bij detentie geen recht op uitkering geeft.

1.2. Betrokkene heeft bij brief van 22 februari 2001 nadere informatie aan appellant doen toekomen.

1.3. Bij brief van 19 juni 2008 heeft betrokkene aan appellant meegedeeld dat hij het gebrek, dat leidde tot de eerdere weigering van een Wajong uitkering, wenst te herstellen. In dit kader heeft betrokkene een op hem betrekking hebbend arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2000 in een strafzaak aan appellant doen toekomen. Appellant heeft, naar aanleiding van deze brief, bij besluit van 15 augustus 2008 betrokkene meegedeeld dat wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden is besloten niet terug te komen van het besluit van 15 februari 2001. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 22 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit. De rechtbank heeft - samengevat - overwogen dat appellant de brief van 19 juni 2008 terecht heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het oorspronkelijke besluit van 15 februari 2001, zodat de rechtbank zich bij de toetsing van het bestreden besluit, in het kader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Daarnaast is de rechtbank met appellant van oordeel dat betrokkene aan het onderhavige verzoek om terug te komen van het oorspronkelijke besluit van 15 februari 2001 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb ten grondslag heeft gelegd. Het standpunt van betrokkene dat zijn brief van 22 februari 2001 had moeten worden aangemerkt als bezwaar gericht tegen het oorspronkelijke besluit van 15 februari 2001 slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin nu die beoordeling buiten de omvang van het onderhavige geding valt. De rechtbank oordeelt tot slot dat de vraag of appellant in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van zijn bevoegdheid om, met toepassing van het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb, het verzoek van betrokkene af te wijzen gebruik heeft kunnen maken ontkennend moet worden beantwoord wegens het door appellant bij totstandkoming van het bestreden besluit handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel. Het bestreden besluit dient, naar het oordeel van de rechtbank op grond van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, te worden vernietigd.

3. In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat betrokkene aan het verzoek om terug te komen van het besluit van 15 februari 2001 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb ten grondslag heeft gelegd. Aan de beoordeling van de vraag of appellant in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van zijn bevoegdheid, als bedoeld in het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb, gebruik heeft kunnen maken wordt daardoor niet toegekomen. Indien appellant wel zou moeten toekomen aan het vorenstaande, dan stelt appellant zich op het standpunt dat het nog maar de vraag is of bij de totstandkoming van het bestreden besluit daadwerkelijk in strijd met het vertrouwensbeginsel is gehandeld.

4. In reactie op het beroepschrift heeft betrokkene aangevoerd dat de rechtbank terecht heeft getoetst aan het vertrouwensbeginsel. Appellant heeft bij betrokkene de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat na het verstrekken van de nodige informatie, ongeacht zijn detentie, er nader onderzoek zou volgen naar zijn aanspraak op een Wajong-uitkering. Voorts stelt betrokkene in reactie op het beroepschrift dat hij zijnerzijds van de aangevallen uitspraak in incidenteel appel komt. In dat kader voert betrokkene onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het oorspronkelijke besluit van 15 februari 2001 rechtens onaantastbaar is geworden nu daartegen geen bezwaar is gemaakt. De brief van betrokkene van 22 februari 2001 is, volgens betrokkene, ten onrechte niet aangemerkt als bezwaarschrift tegen het oorspronkelijke besluit van 15 februari 2001.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt voorop dat alleen appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Nu de Awb het rechtsmiddel van incidenteel appel (nog) niet kent, betekent dit dat de gronden van betrokkene tegen de aangevallen uitspraak, anders dan bij wijze van verweer aangevoerd tegen de door appellant aangevoerde beroepsgronden, in hoger beroep niet aan de orde kunnen komen. Dit is alleen anders indien de door betrokkene aangevoerde gronden zozeer zijn verweven met de door appellant aangevoerde beroepsgronden, dat beoordeling van de gronden van betrokkene om die reden onontkoombaar is, dan wel indien geoordeeld zou moeten worden dat betrokkene geen belang had bij het instellen van hoger beroep. Gelet op de conclusie van de rechtbank met betrekking tot de vraag of al dan niet sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb kan niet gezegd worden dat betrokkene geen belang had bij het (tijdig) instellen van hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. De grond van betrokkene inzake de brief van 22 februari 2001 is voorts niet nauw verweven met de beroepsgronden die appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd. Die beroepsgronden zien immers uitsluitend op het oordeel van de rechtbank dat appellant bij de totstandkoming van het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, hetgeen voor de rechtbank aanleiding was de vraag of appellant in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van zijn bevoegdheid, als bedoeld in het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb, gebruik heeft kunnen maken, ontkennend te beantwoorden.

5.2. Gelet op het vorenstaande zijn in hoger beroep alleen de in onder 3 omschreven hoger beroepsgronden van appellant aan de orde.

5.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant terecht betrokkenes brief van 19 juni 2008 heeft aangemerkt als een herhaalde aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Deze brief ziet immers, net als de aanvraag van 4 mei 2000, op toekenning van een Wajong-uitkering.

5.4. Ingevolge vaste jurisprudentie van deze Raad (zie bijvoorbeeld LJN BD1880) is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zodanig geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot het antwoord op de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.5. De Raad volgt de rechtbank ook in haar overweging dat betrokkene aan zijn verzoek aan appellant om terug te komen van het oorspronkelijke besluit van 15 februari 2001 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerstel lid, van de Awb ten grondslag heeft gelegd.

5.6. Het oordeel van de rechtbank dat appellant niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid om afwijzend te beslissen op de onderhavige aanvraag gebruik mocht maken, volgt de Raad niet. Gelet op het onder 5.4 weergegeven, door de bestuursrechter te hanteren, terughoudende toetsingskader heeft de rechtbank door te overwegen, zoals onder 2 is weergegeven, het bestreden besluit, voorbijgaand aan het hiervoor weergegeven toetsingskader, ten onrechte niet met de vereiste terughoudendheid getoetst. De aangevallen uitspraak komt op deze grond voor vernietiging in aanmerking.

5.7. Ter zitting is door appellant naar voren gebracht dat nog beoordeeld zal worden of betrokkenes brief van 19 juni 2008, mede gelet op het interne verslag van de claimbeoordelaar R.A.F. Punte, kan worden beschouwd als een nieuwe aanvraag. Tegen het mogelijke besluit dat op deze beoordeling volgt kan betrokkene, indien hij dit wenst, de openstaande rechtsmiddelen aanwenden.

5.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV