Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3542

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
10-3992 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening kinderbijslag omdat (de) beide kinderen (...) niet als onderwijsvolgende kinderen (...) kunnen worden beschouwd. Vervalste stempels op de schoolverklaringen. Appellant heeft tijdens een gesprek met een medewerkster van Sociale Zaken (...) verklaard dat de kinderen niet naar school gingen. Geen bewijs van bestaan van de onderwijsinstelling. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank is gebleken dat appellant zelf heeft verklaard dat de kinderen thuisonderwijs hebben gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3992 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2010, 10/53 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 29 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn – zoals tevoren was bericht – niet verschenen.

De Svb was vertegenwoordigd door G.C. Eind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn in Marokko wonende kinderen [A.] en [B.], beiden geboren [in] 1991, [C.], geboren [in] 1989 en [D.], geboren [in] 1990. Appellant heeft op 30 januari 2006 verzocht om tweevoudige kinderbijslag voor zijn dochter [C.] en zijn zoon [D.] omdat zij wegens studie uitwonend zouden zijn. Hierop heeft de Svb een nader onderzoek ingesteld en, alvorens het recht op kinderbijslag definitief vast te stellen, aan appellant vanaf het tweede kwartaal van 2006 de kinderbijslag bij voorschot uitbetaald.

1.2. Bij besluit van 22 februari 2008 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij vanaf hun geboorte geen recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van zijn vier in Marokko wonende en in overweging 1.1 genoemde kinderen. Uit onderzoek is de Svb gebleken dat deze kinderen geen eigen kinderen van appellant zijn noch zijn aan te merken als aangehuwde of pleegkinderen.

1.3. Bij besluit van 7 december 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het namens appellant ingediende bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2008 gegrond verklaard met dien verstande dat de weigering van kinderbijslag voor [C.] vanaf het derde kwartaal van 2005 en voor [D.] vanaf het tweede kwartaal van 2006 werd gehandhaafd. Na afweging van alle betrokken belangen heeft de Svb ervan afgezien nader onderzoek te verrichten naar de afstamming van de vier genoemde kinderen. De Svb is na onderzoek tot de conclusie gekomen dat [C.] en [D.] op de peildata van deze kwartalen wel de leeftijd van zestien jaar hadden bereikt, maar niet als onderwijsvolgende kinderen in de zin van de AKW konden worden beschouwd, zodat voor hen, gelet op artikel 7, tweede lid, van de AKW, geen recht op kinderbijslag bestond. Het uitgevoerde onderzoek rechtvaardigde immers de conclusie dat de school waar [C.] en [D.] volgens de door appellant afgelegde verklaringen onderwijs zouden hebben gevolgd, in de betreffende schooljaren 2005/2006 en 2006/2007 niet (meer) bestond. In verband met de grondslagwijziging van het besluit tot weigering van de toekenning van kinderbijslag heeft de Svb een vergoeding voor de kosten van de bezwaarprocedure van € 437,00 toegekend.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant, gericht tegen de – door de rechtbank als herziening aangemerkte – weigering van de kinderbijslag ten behoeve van [D.] en [C.], ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat slechts in geschil is of [C.] en [D.] op de eerste dagen van de in het bestreden besluit bedoelde kwartalen onderwijs volgden. In dit verband heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het onderzoek naar het bestaan van de door appellant in schoolverklaringen vermelde onderwijsinstelling niet onvolledig of onjuist is gebleken. De omstandigheid dat het onderzoek dat aan de rapportage van de Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Marokko (hierna: Attaché) van 7 september 2006 ten grondslag gelegen heeft op een ander onderdeel – de afstamming van de kinderen – onvolledig is geweest, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Evenals in beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek naar de afstamming van de kinderen ondeugdelijk is gebleken, het gehele voorbereidend onderzoek hierdoor overduidelijk gebreken vertoont en er derhalve een nieuw onderzoek naar de schoolgang van [D.] en [C.] had moeten volgen.

4.1. Tussen partijen is, zoals de rechtbank in feite ook heeft vastgesteld, enkel in geschil of de Svb met recht de kinderbijslag ten behoeve van [C.] over het derde kwartaal van 2005 tot en met het tweede kwartaal van 2006 en ten behoeve van [D.] over het tweede kwartaal van 2006 heeft herzien op de grond dat deze beide kinderen op de peildata van de in geding zijnde kwartalen niet als onderwijsvolgende kinderen in de zin van artikel 7, tweede lid, van de AKW kunnen worden beschouwd.

4.2. Appellant heeft aan de Svb schoolverklaringen verstrekt, waarop is ingevuld dat [C.] en [D.] tijdens het schooljaar 2005/2006 aan de onderwijsinstelling El Kaouakibi te Meknes in Marokko onderwijs volgden. Op verzoek van de Svb heeft de Attaché vervolgens aldaar onderzoek verricht, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 7 september 2006. Deze komen er -kort gezegd- op neer dat de in de schoolverklaringen vermelde onderwijsinstelling niet meer bestaat en dat de stempels op de verklaringen vervalst zijn.

4.3. De Raad merkt op dat, naast het feit dat de genoemde stempels op de schoolverklaringen vervalst zijn gebleken, er ook geen duidelijkheid is verkregen over de status daarvan. Voorts blijkt uit het verslag van de Attaché dat appellant tijdens een gesprek met een medewerkster van Sociale Zaken in Marokko eind augustus 2006 heeft verklaard dat de kinderen niet naar school gingen. Evenals de rechtbank stelt de Raad voorts vast dat namens appellant -ook in hoger beroep- geen bewijsstukken zijn overgelegd die de juistheid van de bevindingen van de Attaché met betrekking tot het bestaan van de onderwijsinstelling en de overige informatie omtrent de schoolgang van de kinderen weerleggen. De Raad voegt hier nog aan toe dat uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank is gebleken dat appellant zelf heeft verklaard dat de kinderen thuisonderwijs hebben gevolgd, hetgeen niet overeenkomt met eerder door hem verstrekte inlichtingen. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat [C.] en [D.] gedurende de bij overweging 4.1 genoemde kwartalen niet als onderwijsvolgende kinderen kunnen worden beschouwd, zodat voor hen in die perioden geen recht op kinderbijslag bestond.

5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Venneman.

RK