Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
09-5491 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 86% van het pensioen voor een gehuwde. Weigering toeslag, omdat appellant woont in een land waarvoor de Wet BEU gevolgen heeft. Beroep op artikel 1 van het EP faalt. De Raad stelt vast dat appellant ten tijde van de inwerkingtreding van artikel 8a van de AOW, op 1 januari 2000, nog geen recht had op een ouderdomspensioen en een toeslag krachtens de AOW. Appellant was op dat moment ook nog niet gehuwd met zijn huidige echtgenote. Dit betekent dat in dit geval in ieder geval geen sprake is van een ontneming van een bestaand recht op een toeslag bij het bestreden besluit. Voor zover sprake is van de ontneming van een aanspraak waarvan de verwachting gerechtvaardigd is dat die gerealiseerd zal worden, hetgeen de Raad in het midden laat, is deze eigendomsontneming naar het oordeel van de Raad op grond van artikel 1 van het EP gerechtvaardigd.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Algemene Ouderdomswet 8a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1718
USZ 2011/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5491 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te Singapore (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2009, 09/946 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 29 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 december 2009 heeft appellant gereageerd op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2011. Appellant is daarbij in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Werner en mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is op 14 februari 1944 geboren in Nederland. Tot in juli 1998 heeft appellant, afgezien van een kleine onderbreking in de periode van november 1946 tot oktober 1949, in Nederland gewoond. In juli 1998 is appellant naar Singapore verhuisd, alwaar hij tot juli 2000 werkzaam is geweest. Na een verblijf van enige jaren in Nederland is appellant in oktober 2003 teruggekeerd naar Singapore, alwaar hij sindsdien woont.

1.3. Op 15 juni 2000 is appellant gehuwd met [A.B.], geboren op [in] 1955. De echtgenote van appellant heeft van juli 2000 tot oktober 2003 in Nederland gewoond.

1.4. Bij besluit van 14 november 2008 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 86% van het pensioen voor een gehuwde. Daarbij is aangegeven dat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW van 27 juli 1998 tot en met 31 juli 2000 en van 30 oktober 2003 tot en met 13 februari 2009. Voorts is in dit besluit aan appellant medegedeeld dat hij geen recht heeft op een toeslag krachtens de AOW, omdat hij woont in een land waarvoor de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) gevolgen heeft.

1.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van een toeslag ingevolge de AOW aan hem. Bij besluit van 18 februari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb dat bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat hij zijn hele leven de maximale premie voor de AOW heeft betaald en dat hij zich niet kan verenigen met het niet toekennen van een toeslag ingevolge de AOW aan hem, omdat hij toevallig in een land woont waarmee geen BEU-verdrag is gesloten.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Voorop moet worden gesteld dat appellant het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat hij op grond artikel 8a van de AOW geen aanspraak heeft op een toeslag krachtens de AOW, nu hij in Singapore woont en niet voldoet aan de voorwaarden van de zogenoemde pardonregeling, niet heeft aangevochten. Ook de Raad is van oordeel dat appellant op grond van de AOW en de pardonregeling geen aanspraak heeft op een toeslag krachtens de AOW.

4.3. Evenals de rechtbank ziet de Raad aanleiding het hoger beroep van appellant aldus te verstaan dat appellant meent dat zijn eigendomsrecht, als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), is geschonden.

4.4. Artikel 1 van het EP luidt als volgt.

“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

4.5. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraken van 11 september 2007 (LJN BB3760) en 9 september 2009 (LJN BJ8411), moeten onder de term “eigendom” (of “possessions”) in dit artikel ook vermogensbestanddelen worden verstaan, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe een betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. Als sprake is van “possessions” en daarmee van ontneming van eigendom als bedoeld in de tweede zin van artikel 1 van het EP dient te worden getoetst of aan de in dat artikel geformuleerde voorwaarden voor die eigendomsontneming is voldaan. Daarbij dient allereerst te worden beoordeeld of de inbreuk op de bestaande aanspraak bij wet is voorzien. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de eigendomsontneming een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en ten slotte of er een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inbreuk een onevenredig zware last (‘‘an individual and excessive burden’’) moet dragen.

4.6. De Raad stelt vast dat appellant ten tijde van de inwerkingtreding van artikel 8a van de AOW, op 1 januari 2000, nog geen recht had op een ouderdomspensioen en een toeslag krachtens de AOW. Appellant was op dat moment ook nog niet gehuwd met zijn huidige echtgenote. Dit betekent dat in dit geval in ieder geval geen sprake is van een ontneming van een bestaand recht op een toeslag bij het bestreden besluit. Voor zover sprake is van de ontneming van een aanspraak waarvan de verwachting gerechtvaardigd is dat die gerealiseerd zal worden, hetgeen de Raad in het midden laat, is deze eigendomsontneming naar het oordeel van de Raad op grond van artikel 1 van het EP gerechtvaardigd.

4.7. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 5 maart 2009 (LJN BI0952), gewezen in een soortgelijk geschil. In die uitspraak heeft de Raad in de eerste plaats geconstateerd dat de inbreuk op de eigendom bij wet heeft plaatsgevonden en heeft de Raad het oordeel van de rechtbank onderschreven dat deze inbreuk in het algemeen belang heeft plaatsgevonden. De Raad heeft, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de Wet BEU, geoordeeld dat de doelstelling om te komen tot een effectieve controle op de rechtmatigheid van in het buitenland verstrekte ouderdomspensioenen legitiem is. Daarbij heeft de wetgever ervoor gekozen om door het sluiten van verdragen de mogelijkheden tot controle juridisch te verankeren, waarbij de fraudegevoelige onderdelen van de AOW - de toeslag voor een gehuwde met een partner jonger dan 65 jaar en de opslag van 20% op de gehuwdennorm voor personen die ongehuwd zijn - niet worden verstrekt, dan wel worden beëindigd, zolang er met het betreffende woonland nog geen handhavingsverdrag in werking is getreden. De Raad had dit middel al eerder als passend beoordeeld in het kader van de werking van de Wet BEU in de Algemene Kinderbijslagwet - de uitspraak van 17 september 2004 (LJN AR2746) - en in de Toeslagenwet in zijn prejudiciële verwijzing van 1 november 2007 (LJN BB7475). De Raad heeft in de uitspraak van 5 maart 2009 geen aanleiding gezien om ter zake van de werking van de Wet BEU in relatie tot de AOW tot een ander oordeel te komen, waarbij de Raad van belang heeft geacht dat het gaat om een verlaging en niet om een beëindiging van het AOW-pensioen.

4.8. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EV