Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
09/4922 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet arbeidsongeschikt in de zin van de ANW. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4922 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2009, 08/3711 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 22 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Zijn heeft tevens medische stukken ingezonden.

De Svb heeft van verweer gediend.

De Svb heeft een vraag van de Raad beantwoord, waarop door appellante is gereageerd. Vervolgens heeft de Svb een nader stuk ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011.

Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door haar dochter B. van den Berg. Voor de Svb is verschenen mr. G.E. Eind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is geboren op 11 januari 1950. Op 11 mei 2005 is haar echtgenoot overleden.

1.2. Bij een op 25 mei 2007 gedateerd formulier heeft appellante bij de Svb een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij geen kinderen heeft jonger dan 18 jaar en dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt is.

1.3. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Svb ClientFirst verzocht om te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.

1.4. Bij besluit van 27 augustus 2007 heeft de Svb de aanvraag van appellante om toekenning van een nabestaandenuitkering afgewezen. Daarbij is opgemerkt dat de afwijzing steunt op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een nabestaandenuitkering.

2.1. Bij brief gedateerd 3 september 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 augustus 2007. Daarbij heeft zij aangegeven dat reeds in 2003 artrose of artritis bij haar is geconstateerd. Door de ernstige ziekte van haar man heeft zij toen van verdere behandeling afgezien. Volgens appellante kan zij ’snachts niet slapen van de pijn en lukt het niet om zichzelf goed te verzorgen. Bijgevoegd is een aantal medische rapportages uit 2003. Daarbij is aangegeven dat de rapportages uit 2006 en 2007 zich bij de huisarts bevinden.

2.2. Bij brief gedateerd 5 september 2007 heeft de Svb bij ClientFirst de voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gebruikte stukken opgevraagd. Bij brief van 12 september 2007 heeft ClientFisrt aan de Svb de gevraagde stukken doen toekomen. Uit die stukken blijkt dat appellante op 23 juli 2007 is gezien door de verzekeringsarts M.V. Borkent. Uit het verslag van het onderzoek blijkt dat Borkent beschikte over informatie van de huisarts van appellante. Borkent heeft een psychisch en een, gericht, lichamelijk onderzoek verricht. Als diagnose stelt hij coxarthrose en schouderklachten links en rechts. Borkent heef een Functie Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft appellante een gesprek gehad met de arbeidsdeskundige W.Th. Pompe, die voor appellante een vijftal passende functies heeft geselecteerd. Op basis van de mediaan van de drie hoogstverlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen van appellante (het wettelijk minimumloon van een 23-jarige), concludeert Pompe tot een arbeidsongeschiktheidspercentage op de datum in geding van minder dan 45%.

2.3. Op 2 oktober 2007 is een hoorzitting gehouden.

2.4. Bij besluit van 9 oktober 2007 is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar de door ClientFirst toegezonden stukken met betrekking tot de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante voorafgaand aan het besluit van 27 augustus 2007. Opgemerkt wordt dat tijdens de bezwaarprocedure niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden.

3.1. In beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de rapporten van de orthopedisch chirurg M.G.A. Frenkel van 24 december 2007 en 24 april 2008, aangegeven dat zij versleten heupen en degeneratie van de onderrug heeft. Voorts zijn haar botten afwijkend voor haar leeftijd en heeft zij last van kalkafzetting in haar beide schouders. In november 2007 is appellante gevallen, waarbij haar voet op vijf plaatsen is gebroken. In april 2008 heeft zij een nieuwe rechterheup gekregen. Na herstel volgt de linkerheup en daarna de knieën.

3.2. Ter zitting van de rechtbank op 7 juli 2008 heeft de gemachtigde van de Svb meegedeeld dat, gelet op de omstandigheden waarin appellante verkeert, het op de weg van de Svb had gelegen om in de bezwaarfase nogmaals de aangevoerde klachten voor te leggen aan ClientFirst. Nu dit niet is gebeurd is volgens die gemachtigde het besluit onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft aangegeven dit oordeel te delen. Het besluit op bezwaar van 9 oktober 2007 is bij uitspraak van 29 juli 2008 vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Svb is opgedragen, met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3.3. De Svb heeft daarop aan ClientFirst verzocht om heroverweging van het besluit van 9 oktober 2007.

3.4. ClientFirst heeft een heronderzoek laten verrichten door de bezwaarverzekeringsarts G. Durlinger, die op 20 augustus 2008 op basis van een dossieronderzoek rapporteerde. Naar zijn mening zijn de klachten van appellante onderkend, erkend en betrokken bij de gevalsbehandeling. Op basis van de beschikbare medische informatie is gericht onderzoek verricht door de verzekeringsarts. Dit heeft geleid tot het aangeven van forse beperkingen in de FML. Durlinger acht de werkwijze van de primaire verzekeringsarts zorgvuldig. Rekening houdend met verzekeringskundige standaarden en wetgeving kan niet worden gezegd dat appellante op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is. Er is geen sprake van een situatie van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”. Er is daarom een FML opgesteld, waarbij rekening is gehouden met de beperkingen op het lichamelijke vlak, veroorzaakt door schouder-, heup- en gewrichtsklachten. De weergave van de beperkingen wordt voldoende gedragen door alle aanwezige objectiveerbare gegevens. Vanaf november 2007 is er sprake van een nieuwe medische situatie. Deze nieuwe situatie kan echter niet van invloed zijn op de belastbaarheid zoals die op juiste wijze is vastgesteld per datum in geding (11 mei 2007).

3.5. Bij besluit van 18 september 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar (opnieuw) ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat de bezwaarverzekeringsarts van ClientFirst volledig is ingelicht over hetgeen door appellante in bezwaar en beroep is aangevoerd. De Svb ziet, ook na heroverweging, geen redenen om af te wijken van het advies van ClientFirst. Gezien de aan appellante op 11 mei 2007 toe te rekenen verdiencapaciteit was zij op die datum niet arbeidsongeschikt in de zin van de ANW. Daarbij is niet van belang dat de arbeidsongeschiktheid is toegenomen na die datum.

4.1. In beroep heeft appellante onder meer aangevoerd dat haar lichamelijke conditie al voor 11 mei 2007 niet in orde was. Door de adviseurs is met het verloop van de ziekte, met operaties in het vooruitzicht, te weinig rekening gehouden. Appellante acht zich niet helemaal zelfredzaam en steunt op haar kinderen. Appellante merkt verder op dat zij het niet zorgvuldig acht dat zij niet is onderzocht door de (bezwaar)verzekeringsarts.

4.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch en arbeidskundig onderzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. De (bezwaar)verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige van ClientFirst hebben voldoende inzichtelijk gemotiveerd op grond waarvan zij tot hun conclusies zijn gekomen. De rechtbank merkt in dat verband

– onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2001, LJN: AL1327 – op dat de bezwaarverzekeringsarts niet verplicht is om betrokkene te onderzoeken en, gelet op de omstandigheden van het geval, kan volstaan met een dossieronderzoek. In de door appellante overgelegde stukken en de overige in het dossier voorhanden zijnde (medische) gegevens ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante verkeerd zijn ingeschat. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat zij op 11 mei 2007 meer beperkingen had dan is vastgesteld door de (bezwaar)verzekeringsarts en dat zij op die grond arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Dat blijkt ook niet uit de in 3.1 aangehaalde rapporten van de orthopedisch chirurg Frenkel. De door appellant aangevoerde grond dat de Svb te strikt vasthoudt aan de datum 11 mei 2007 slaagt, volgens de rechtbank, niet. In deze procedure gaat het immers om de beantwoording van de vraag of appellante op 11 mei 2007 arbeidsongeschikt was in de zin van de ANW.

5.1. In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat zij ten onrechte niet is onderzocht door de (bezwaar)verzekeringsarts. Omdat zij na de eerste uitspraak van de rechtbank in de veronderstelling verkeerde dat de Svb nog medisch onderzoek zou (laten) verrichten, heeft zij zelf afgezien van het nader inbrengen van medische informatie, terwijl zij wel onder medische behandeling staat. Appellante heeft een aantal medische stukken ingezonden, waaronder informatie van de huisarts, de radioloog Wienk en de orthopedisch chirurg Frenkel.

5.2. De Svb heeft de door appellante ingezonden medische stukken voor nader advies doorgestuurd naar ClientFirst. In een rapportage van 3 november 2010 merkt bezwaarverzekeringsarts Durlinger op dat, afgezien van de brief van de radioloog Wienk, de ingebrachte informatie betrekking heeft op de situatie van appellante ver na de peildatum. De informatie van Wienk was al bekend ten tijde van de primaire verzekeringsgeneeskundige beoordeling en is betrokken bij de uiteindelijke oordeelsvorming. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe, medische stukken overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de primaire verzekeringsarts.

6.1. In dit geding gaat het om de beantwoording van de vraag of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak met recht heeft geoordeeld dat de bij het bestreden besluit wederom gehandhaafde weigering van de Svb om aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen, in rechte stand kan houden.

6.2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.3. Appellante heeft in de eerste plaats betoogd dat, na de vernietiging van het eerdere besluit op bezwaar door de rechtbank op 29 juli 2008, de Svb ervoor had moeten zorgen dat appellante door de bezwaarverzekeringsarts van ClientFirst in persoon werd onderzocht. De Raad ziet deze grond niet slagen. Daarbij stelt de Raad voorop dat uit die uitspraak van de rechtbank van een dergelijke verplichting niet blijkt. De Raad acht verder van belang dat appellante, gericht op haar klachten, in persoon is onderzocht door de verzekeringsarts Borkent. En verder dat met de nader in bezwaar ter beschikking gekomen medische gegevens een voldoende compleet beeld van de medische situatie van appellante voorhanden was, terwijl uit die gegevens niet kon niet worden afgeleid dat de door verzekeringsarts gestelde diagnose in betekenende mate afweek van die van de behandelaars van appellante. Gelet op die gegevens en op de aard van de klachten was er geen grond om appellante (ook) in bezwaar aan een onderzoek in persoon te onderwerpen.

6.4. Appellante heeft verder aangevoerd dat met de opgestelde FML haar mogelijkheden tot het verrichten van arbeid zijn overschat. Ook deze grond ziet de Raad niet slagen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. Door de bezwaarverzekeringsarts van ClientFirst is voldoende inzichtelijk gemaakt op grond waarvan hij de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts kon onderschrijven. In de door appellante overgelegde stukken en de overige in het dossier voorhanden (medische) gegevens ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voor haar op 11 mei 2007 meer, dan wel zwaardere beperkingen zouden dienen te gelden dan in de FML zijn vastgelegd. De Raad voegt daaraan toe dat een mogelijke toename van de beperkingen in en na november 2007, derhalve na de datum in geding, aan het voorgaande niet kan afdoen. De Raad stelt ten slotte vast dat door of namens appellante geen gronden van arbeidskundige aard naar voren zijn gebracht. De Raad heeft dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusie van de rechtbank dat de functies voor haar medisch geschikt zijn, onjuist is.

6.5. De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

6.6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) T. Dolderman.

EK