Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
06-4699 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering naar een mate van 25 tot 35%. De door de Raad benoemde deskundigen zijn (...) van oordeel dat noch de stoornis van Asperger noch een persoonlijkheidsstoornis gepaard hoeft te gaan met cognitieve beperkingen en beperkingen op het gebied van zelfstandig functioneren. Juiste medische grondslag. Juistheid FML. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4699 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juli 2006, 06/225 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift overgelegd.

De Raad heeft aanleiding gezien psychiater M.J. van Weers als deskundige te benoemen. Op 16 januari 2009 heeft de deskundige van zijn onderzoek rapport uitgebracht.

Door beide partijen is op het rapport van psychiater Van Weers gereageerd. Door appellant zijn tevens nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding onder nummer 09/704 WAO, plaatsgevonden op 25 november 2009 waar appellant - met bericht - niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M van Haaften.

Na de zitting heeft de Raad de behandeling van voormelde zaken gesplitst. De Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waar de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. In de zaak 09/704 WAO heeft de Raad prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, als deskundige benoemd.

Op 1 juli 2010 heeft deze deskundige van zijn onderzoek rapport uitgebracht in zaak 09/704 WAO. De Raad heeft dit rapport in dit geding voorgelegd aan de deskundige Van Weers die er een reactie op heeft gegeven. De bezwaarverzekeringsarts zag hiertoe eveneens aanleiding.

Appellant heeft bij brief van 26 januari 2011 gereageerd op de hiervoor genoemde reactie van de bezwaarverzekeringsarts.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, laatstelijk werkzaam als afwerker in de wegenbouw, ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het Uwv heeft bij besluit van 20 augustus 2004 de uitkering van appellant ongewijzigd op dit percentage vastgesteld. Dit besluit berust op een medisch onderzoek. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 30 december 2005 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, verricht door de bezwaarverzekeringsartsen J.J. Nasheed-Linssen en K. Corten. Voorts heeft een arbeidskundig onderzoek, verricht door bezwaararbeidsdeskundige F.C. Schrijer, aan het besluit ten grondslag gelegen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit onderschreven.

3.1. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat zowel zijn psychische als lichamelijke beperkingen ernstig zijn onderschat. Appellant kan zich niet verenigen met de bevindingen van de door de Raad benoemde deskundige Van Weers, zoals beschreven in het rapport van deze psychiater van 16 januari 2009. Appellant heeft een rapport van psychiater drs. P.J. Vervoort van 20 juni 2008, welk rapport in een WAO procedure over een latere beoordelingsdatum (bij de Raad geregistreerd onder nummer 09/704 WAO) op verzoek van de rechtbank Maastricht is uitgebracht, overgelegd. Appellant is van mening dat uit dit rapport blijkt dat ten aanzien van zijn persoonlijk en sociaal functioneren zwaardere beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Appellant acht zich vanwege zijn beperkingen niet in staat op de vrije arbeidsmarkt te functioneren.

3.2. In verweer stelt de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 31 augustus 2009 dat het opmerkelijk is dat Van Weers en Vervoort, gelet op het feit dat de beschrijving van de actuele psychische situatie van appellant door beide artsen plaats heeft gevonden met een tussentijd van slechts 2 tot 3 weken, tot verschillende diagnostiek en conclusies zijn gekomen. De bezwaarverzekeringsarts is gemotiveerd de mening toegedaan dat aan het rapport van Van Weers doorslaggevende betekenis toekomt.

4.1. De Raad overweegt met betrekking tot de vaststelling van de medische beperkingen van appellant als volgt.

4.2. De door de Raad in onderhavige zaak geraadpleegde deskundige Van Weers heeft in zijn in rubriek I genoemde rapport van 16 januari 2009, onder verwijzing naar de in het dossier beschikbare medische gegevens, geconcludeerd dat appellant op de datum in geding 1 augustus 2004 leed aan een aanpassingsstoornis met depressieve stemming alsmede aan een persoonlijkheidsstoornis n.a.o. met overwegend theatrale en narcistische kenmerken. Voorts stelt de deskundige vast dat appellant op die datum aan de ziekte van Crohn leed. De deskundige kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 31 maart 2005. Tot slot concludeert de deskundige dat na de datum in geding zich een verslechtering van de aanpassingsstoornis met depressieve stemming van appellant lijkt te hebben voorgedaan, resulterend in de ontwikkeling van een dysthyme stoornis.

4.3. Op verzoek van de Raad heeft deze deskundige gereageerd op het rapport van psychiater prof. dr. Koerselman. Van Weers acht het minder waarschijnlijk dat appellant lijdt aan de stoornis van Asperger, hij blijft gemotiveerd van oordeel dat appellant lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis. Met psychiater Koerselman is hij van mening dat zowel de stoornis van Asperger als een persoonlijkheidsstoornis niet vanzelfsprekend tot cognitieve beperkingen en beperkingen inzake zelfstandig functioneren leiden.

4.4. In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van het door de deskundige gegeven oordeel. In onderhavige zaak doet zich de bijzondere situatie voor dat, weliswaar in afzonderlijke procedures, naast een rechtbank deskundige, twee door de Raad benoemde psychiaters, zich als deskundige over de psychische gesteldheid van appellant hebben uitgelaten.

4.5. In deze zaak is de datum in geding 1 augustus 2004. Psychiater Van Weers heeft, uitgaande van de bevindingen uit zijn onderzoek, de volgens het Uwv op deze datum voor appellant geldende belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML van 31 maart 2005, onderschreven. Naar het oordeel van de Raad heeft het onderzoek door deze deskundige op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Zijn conclusies zijn inzichtelijk en consistent onderbouwd. Indien de rapporten van Van Weers en Koerselman worden vergeleken blijkt dat het verschil is gelegen in de gestelde diagnoses. Van Weers stelt dat sprake is van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming alsmede aan een persoonlijkheidsstoornis n.a.o. met overwegend theatrale en narcistische kenmerken. Koerselman stelt in zijn rapport dat de mogelijkheid van een persoonlijkheidsstoornis aanwezig is en overweegt voorts de aanwezigheid van de stoornis van Asperger. Wegens afwezigheid van gegevens uit de kindertijd van appellant houdt Koerselman het hierbij op een waarschijnlijkheidsdiagnose. De beide deskundigen zijn echter van oordeel dat noch de stoornis van Asperger noch een persoonlijkheidsstoornis gepaard hoeft te gaan met cognitieve beperkingen en beperkingen op het gebied van zelfstandig functioneren.

4.6. Ten aanzien van het gegeven dat de FML van 31 maart 2005 minder beperkingen bevat dan de FML opgemaakt in het kader van de latere beoordelingsdatum oordeelt de Raad, met psychiater Van Weers, dat dit gezien de in het dossier aanwezige medisch gegevens verklaard kan worden door een verslechtering van de psychische gesteldheid van appellant na de datum hier in geding. Dat appellants depressieve klachten aan schommelingen in intensiteit onderhevig waren wordt in het rapport van Koerselman bevestigd.

4.7. Op basis van de rapporten van Van Weers van 16 januari 2008 en Koerselman van 1 juli 2010, is de Raad van oordeel dat in hetgeen van de zijde van appellant naar voren is gebracht geen aanknopingspunt te vinden is voor de juistheid van zijn standpunt dat hij meer of zwaarder beperkt is dan door het Uwv in de FML van 31 maart 2005 is vastgelegd.

4.8. De Raad komt dan ook, met de rechtbank, tot de conclusie dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.

4.9. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd de FML, is ook de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige is naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellant.

4.10. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK