Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
10-2714 WAO + 10-3249 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting WAO vanwege Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Betrokkene is met behoud van zijn WAO-uitkering naar Spanje vertrokken. Sedert 1996 ont-ving hij in Spanje inkomsten uit arbeid, die met toepassing van art. 44 op de WAO-uitkering werden gekort. In verband met een arbeidsongeval is aan appellant met ingang van 12 sep-tember 2000 een Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Het Uwv heeft vervol-gens met ingang van die datum de uitbetaling van de WAO-uitkering op € 0,00 vastgesteld. Het Uwv was daartoe op grond van art. 41 lid 1 sub b en c Vo 1408/71 bevoegd. .

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2714 WAO

10/3249 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] Spanje (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2010, 09/2597 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 21 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, eveneens hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft eveneens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2011, waar namens betrokkene is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn en waar het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadour.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan betrokkene is met ingang van 1 februari 1979 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% in verband met nierklachten. Betrokkene heeft zich met behoud van zijn WAO-uitkering in Spanje gevestigd en heeft daar sinds begin 1996 inkomsten uit arbeid genoten. In verband daarmee heeft het Uwv op grond van artikel 44 van de WAO de uitkering uitbetaald naar een lager percentage dan 80 tot 100. In januari 1999 is betrokkene uitgevallen als gevolg van een arbeidsongeval waaraan hij klachten aan zijn wervelkolom heeft overgehouden. Vervolgens is met ingang van 1 april 2000 de WAO-uitkering weer betaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij beslissing van het betreffende Spaanse uitvoeringsorgaan van 8 maart 2001 is met ingang van 12 september 2000 in verband met het arbeidsongeval aan betrokkene een Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend ten bedrage van € 1708,36 per maand.

2.1. Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft het Uwv de aan betrokkene uit te betalen WAO-uitkering met ingang van 12 september 2000 vastgesteld op € 0,00 bruto in verband met de aan betrokkene toegekende Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar, door het Uwv ontvangen op 31 maart 2005, is bij besluit van 13 april 2006 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 25 januari 2007 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Raad heeft in zijn uitspraak van 16 oktober 2008 (LJN BG1167) de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar van 13 april 2006 vernietigd. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 29 april 2009 (bestreden besluit) opnieuw op het bezwaar beslist en het bezwaar ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voorzover daarbij volledig terugwerkende kracht is toegekend aan de herziening van de WAO-uitkering, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en daarnaast vergoeding van proceskosten en griffierecht toegekend. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft beslist dat de WAO-uitkering niet meer tot uitbetaling komt doch onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat deze herziening met volledig terugwerkende kracht en dus met ingang van 12 september 2000 dient plaats te vinden.

3. Zowel betrokkene als het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

3.1. Betrokkene kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen. Hij heeft gesteld dat de rechtbank artikel 41 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo 1408/71) niet juist heeft toegepast. Toekenning van een Spaanse invaliditeitsuitkering had niet dienen te leiden tot nihilstelling van de WAO-uitkering. Betrokkene heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv.

3.2. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd wat betreft de herziening met terugwerkende kracht van het te betalen bedrag aan WAO-uitkering.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De relevante bepalingen van Vo 1408/71 luiden als volgt.

Artikel 41

1. Ingeval de invaliditeit van een werknemer of zelfstandige die uitkeringen op grond van de wetgeving van één enkele Lid-Staat geniet, toeneemt, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) indien de betrokkene sedert hij uitkeringen geniet, niet aan de wetgeving van een andere Lid-Staat onderworpen is geweest, is het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Staat verplicht uitkeringen toe te kennen overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit;

b) indien de betrokkene sedert hij uitkeringen geniet, aan de wetgeving van één of meer andere Lid-Staten onderworpen is geweest, worden hem uitkeringen toegekend overeenkomstig de in artikel 37, lid 1, of artikel 40, lid 1, respectievelijk lid 2, bedoelde bepalingen, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit;

c) indien het totale bedrag der ingevolge onder b) verschuldigde uitkering of uitkeringen minder bedraagt dan het bedrag der uitkering welke de betrokkene voor rekening van het orgaan dat de uitkeringen voordien verschuldigd was, genoot, is bedoeld orgaan verplicht hem een aanvulling gelijk aan het verschil tussen bedoelde bedragen te verlenen;

d) indien in het onder b) bedoelde geval het ter zake van de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid bevoegde orgaan een Nederlands orgaan is en indien:

i) de aandoening welke de toeneming van de invaliditeit heeft veroorzaakt, dezelfde is als die welke aanleiding heeft gegeven tot het verlenen van uitkeringen krachtens de Nederlandse wetgeving,

ii) deze aandoening een beroepsziekte is in de zin van de wetgeving van de Lid-Staat, waaraan de betrokkene laatstelijk onderworpen was, en recht geeft op de in artikel 60, lid 1, onder b), bedoelde aanvulling, en

iii) de wetgeving of de wetgevingen waaraan de betrokkene, sedert hij uitkeringen geniet, onderworpen is geweest, een wetgeving is of wetgevingen zijn, welke in bijlage IV, deel A, bedoeld is of zijn, zet het Nederlandse orgaan na de toeneming van de invaliditeit het

verlenen van de oorspronkelijke uitkering voort en wordt de uitkering welke verschuldigd is krachtens de wetgeving van de laatste Lid-Staat, waaraan de betrokkene onderworpen was, verminderd met het bedrag van de Nederlandse uitkering;

e) indien de betrokkene in het onder b) bedoelde geval geen recht op uitkeringen voor rekening van het orgaan van een andere Lid-Staat heeft, is het bevoegde orgaan van de eerste Staat verplicht uitkeringen toe te kennen volgens de wetgeving van deze Staat, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit en eventueel met inachtneming van artikel 38.

(…)

Artikel 37

1. De werknemer of zelfstandige die achtereenvolgens of afwisselend aan de wetgevingen van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest en die uitsluitend tijdvakken van verzekering heeft vervuld krachtens wetgevingen volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering, heeft recht op uitkeringen overeenkomstig artikel 39.

(…)

Artikel 39

1. Het orgaan van de Lid-Staat waarvan de wetgeving van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, stelt overeenkomstig deze wetgeving vast of de betrokkene voldoet aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen, eventueel met inachtneming van artikel 38.

2. De betrokkene die voldoet aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden, ontvangt de uitkeringen uitsluitend van bedoeld orgaan volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.

(…)

4.2. Het hoger beroep van betrokkene.

4.2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de toepassing van Vo 1408/71 als volgt overwogen, waarbij voor eiser betrokkene moet worden gelezen en voor verweerder het Uwv:

"3.2. Het geschil splitst zich toe op de vraag op welke wijze dient te worden omgegaan met de situatie dat een in Nederland arbeidsongeschikt verklaarde werknemer die met behoud van zijn WAO-uitkering naar Spanje is vertrokken in dat land toegenomen arbeidsongeschikt raakt.

3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is in een dergelijk geval Vo 1408/71 van toepassing. Deze verordening omvat immers een uitputtend stelsel van bepalingen met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers op het gebied van de sociale zekerheid. Meer specifiek is artikel 41 van Vo 1408/71 van toepassing op deze situatie.

3.4. In dat kader stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de oorzaak van de (tweede) arbeidsongeschiktheid naar aanleiding van het ongeval in Spanje een andere is dan de oorzaak van de (eerste) arbeidsongeschiktheid op grond waarvan eiser oorspronkelijk een

WAO-uitkering is toegekend. Dit betekent dat artikel 41, eerste lid, sub d, van Vo 1408/71 niet van toepassing is, aangezien daarvoor in i) van deze bepaling als vereiste is opgenomen dat de aandoening welke de toeneming van invaliditeit heeft veroorzaakt, dezelfde is als die welke aanleiding heeft gegeven tot het verlenen van uitkeringen krachtens de Nederlandse wetgeving.

3.5. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 41, eerste lid, sub b, van Vo 1408/71 van toepassing op de situatie van eiser. Op grond van deze bepaling

– in samenhang met artikel 37, eerste lid en artikel 39, eerste en tweede lid, van Vo 1408/71 – kent Spanje aan eiser een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe op grond van de Spaanse wetgeving. In dat land heeft immers de toeneming van de arbeidsongeschiktheid plaatsgevonden. Nu Spanje toentertijd bovendien, evenals Nederland, een risicostelsel hanteerde is Spanje de bevoegde lidstaat om aan eiser een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Spanje dient vervolgens op grond van haar nationale wetgeving het bedrag van eisers arbeidsongeschiktheidsuitkering te berekenen.

3.6. Op grond van artikel 41, eerste lid, sub c, van Vo 1408/71 wordt het bedrag van de aldus berekende Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering vergeleken met het bedrag van de oorspronkelijk toegekende Nederlandse WAO-uitkering. Weliswaar is onduidelijk naar welke mate van arbeidsongeschiktheid de Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering is berekend, maar dat is gelet op deze bepaling niet relevant. Deze bepaling schrijft immers slechts voor dat de bedragen van de twee verschillende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met elkaar dienen te worden vergeleken.

3.7. In het geval het bedrag van de Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering lager is dan het bedrag van de oorspronkelijke toegekende Nederlandse

WAO-uitkering, schrijft artikel 41, eerste lid, sub c, van Vo 1408/71 voor dat in een dergelijk geval Nederland een aanvulling ter hoogte van het verschil daartussen dient te verlenen. Verweerder kent aan deze bepaling echter een ruimere betekenis toe dan aan de letterlijke tekst daarvan kan worden ontleend, in die zin dat verweerder voor de vergelijking niet uitgaat van de oorspronkelijk toegekende WAO-uitkering maar van de WAO-uitkering die zou zijn toegekend als Nederland de bevoegde lidstaat zou zijn geweest. Deze situatie is hier echter, zoals reeds vastgesteld, niet aan de orde.

3.8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was eisers WAO-uitkering (in zijn geheel) niet tot uitbetaling te laten komen, aangezien het bedrag van de Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering hoger is dan de WAO-uitkering. De rechtbank is niet gebleken dat – naar eiser stelt – verweerder daarbij een onjuist bedrag heeft gehanteerd. In het Spaanse besluit staat immers het aan eiser verschuldigde bedrag aan arbeidsongeschiktheiduitkering in zowel peseta’s als euro’s vermeld. Verweerder is in het primaire besluit van 24 augustus 2004 vervolgens uitgegaan van het in het Spaanse besluit vermelde bedrag in euro’s.

3.9. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat verweerders wijze van anticumuleren niet verenigbaar is met (artikel 41) van Vo 1408/71."

4.2.2. De Raad kan zich vinden in de in 4.2.1 aangehaalde overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de toepassing van Vo 1408/71 en maakt deze tot de zijne. De Raad kan betrokkene niet volgen in zijn stelling dat door de in geding zijnde herziening zijn inkomen beduidend lager is dan voorafgaand aan de toeneming van de arbeidsongeschiktheid. Betrokkene ontving een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Toen hij in Spanje inkomsten uit arbeid is gaan genieten, is zijn uitkering op grond van artikel 44 van de WAO verlaagd. Als gevolg van het arbeidsongeval zijn deze inkomsten weggevallen en is zijn uitkering weer verhoogd naar een percentage van 80 tot 100. Nadat het wegvallen van de inkomsten door de Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering werd gecompenseerd, was er geen aanleiding meer de WAO-uitkering op hetzelfde niveau te handhaven. Nu de Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge artikel 41, eerste lid 1, sub b van Vo 1408/71 niet alleen de toegenomen invaliditeit, als gevolg van de rugklachten, omvat doch ook de reeds bestaande invaliditeit, als gevolg van de nierklachten, kan de Raad evenmin als de rechtbank in zien dat betrokkene tekort is gedaan door de door artikel 41, eerste lid, sub b en c van Vo 1408/71 voorgeschreven berekeningswijze.

4.2.3. Hetgeen is overwogen in 4.2.2 betekent dat het hoger beroep van betrokkene in zoverre faalt.

4.2.4. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door het Uwv overweegt de Raad het volgende.

4.2.5. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is in zaken zoals deze in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Raad voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De Raad acht in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

4.2.6. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en eventueel een herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.

4.2.7. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Blijkens de gedingstukken is het bezwaarschrift door het Uwv ontvangen op 31 maart 2005. Ten tijde van deze uitspraak zijn zes jaar en nog geen zes maanden verstreken. Uit overweging 4.2.5 volgt dat een termijn van vier jaar voor de gehele procedure nog als redelijk is aan te merken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van betrokkene, aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met twee jaar en minder dan zes maanden overschreden. De procedures bij de rechtbank en Raad hebben beide minder dan 3,5 jaar geduurd, zodat de Raad vaststelt dat de totale overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van het Uwv komt. De Raad acht, bij een overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en minder dan zes maanden, een vergoeding van vijf maal € 500,--, dit is € 2.500,--, gepast. De Raad zal het Uwv daarom veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500,-- wegens immateriële schade.

4.3. Het hoger beroep van het Uwv

4.3.1. In geschil is of het Uwv terecht heeft besloten met volledig terugwerkende kracht tot 12 september 2000 het bedrag van de uit te betalen WAO-uitkering te herzien.

4.3.2. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd wat betreft de terugwerkende kracht van de herziening. De vragen op de inlichtingenformulieren die jaarlijks aan betrokkene zijn gestuurd, zijn duidelijk. Betrokkene heeft deze niet ingevuld en pas op het formulier van 2003 gemeld dat hij naast de Nederlandse WAO-uitkering sinds 12 september 2000 een op 8 maart 2001 toegekende Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen. Daarnaast heeft betrokkene ook een spontane inlichtingenplicht. Voorts blijft onverlet dat het aan betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat hij teveel uitkering heeft ontvangen en dat daarom herziening met terugwerkende kracht mogelijk is, aldus het Uwv.

4.3.3. Ingevolge het eerste lid van artikel 36a van de WAO dient een besluit tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering te worden herzien of ingetrokken, onder meer indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de in artikel 80 van de WAO neergelegde inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag toekennen van de toeslag of indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge het tweede lid van artikel 36a van de WAO kan van herziening of intrekking om dringende redenen worden afgezien.

4.3.4. De Raad is van oordeel dat de bewoordingen van artikel 36a, eerste lid, van de WAO er in beginsel niet aan in de weg staan dat de herziening of intrekking met terugwerkende kracht geschiedt en voorts dat doel en strekking van dat eerste lid daarvoor evenmin een beletsel vormen. In dit verband zijn van belang de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv, welke erin voorzien dat van intrekking en herziening met terugwerkende kracht wordt afgezien, indien niet door toedoen van betrokkene ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt en het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was dan wel kon zijn dat hem of haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Die beleidsregels dienen te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid dat naar vaste rechtspraak van de Raad door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Dat houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.3.5. Wat er ook zij van de vraag of betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden, de Raad is met het Uwv van oordeel dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. In de jaarlijks aan betrokkene toegezonden inlichtingenformulier wordt in het Spaans gevraagd ”Ontvangt u nog ander inkomen naast de Nederlandse aaw/wao uitkering?” Hierdoor kon het betrokkene al duidelijk zijn dat het ontvangen van een dergelijke uitkering relevant was voor zijn Nederlandse WAO-uitkering. Voorts weegt de Raad mee hetgeen is overwogen in 4.2.2 De inkomsten die betrokkene is gaan genieten hebben geleid tot verlaging van het bedrag aan WAO-uitkering. Het wegvallen van die inkomsten heeft geleid tot verhoging van het bedrag aan WAO-uitkering. Het moet betrokkene dan redelijkerwijs duidelijk zijn dat het vervolgens tevens ontvangen van een inkomensvervangende Spaanse invaliditeitsuitkering in verband met het arbeidsongeval, dubbelop was.

4.3.6. Betrokkene heeft gewezen op twee gevallen waarin het Uwv niet met terugwerkende kracht heeft herzien. De Raad is met het Uwv van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen voor zover het betreft de beoordeling of het aan de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt. De Raad wijst in de eerste plaats op hetgeen is overwogen in 4.3.5 Verder betrof het in beide aangedragen gevallen de samenloop van een WAO-uitkering met een ouderdomspensioen, althans in één geval deels een ouderdomspensioen, terwijl in het onderhavige geval het een samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betrof.

4.3.7. Hetgeen is overwogen in 4.3.4 tot en met 4.3.6 leidt de Raad tot het oordeel dat niet is gebleken dat het Uwv voormelde beleidsregels ten aanzien van het herzien met terugwerkende kracht in dit geval niet consistent heeft toegepast. De WAO-uitkering kon bijgevolg met terugwerkende kracht worden herzien. De Raad is daarom, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit niet tekort schiet wat betreft de motivering van de terugwerkende kracht van de herziening.

4.4. Dit betekent dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad, gelet op hetgeen onder 4.2.4 tot en met 4.2.7 is overwogen over het verzoek om schadevergoeding, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, met vernietiging van dat besluit, en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 874,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,--;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.518,--;

Bepaalt dat het Uwv aan betrokkene het betaalde griffierecht ad € 151,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T. Dolderman.

RK