Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
09-5953 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA. Geen sprake van toename van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5953 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 september 2009, 08/2171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kiewitt, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011, waar appellante -met bericht- niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. van Nederveen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster in een wasserij voor 35 uur per week, heeft zich op

26 oktober 2005 ziek gemeld met schouderklachten. Nadien zijn hier rug- en psychische klachten bijgekomen. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft verzekeringsgeneeskundig plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft op basis van de bevindingen uit onderzoek bij appellante beperkingen aangenomen, welke zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

20 augustus 2007. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens een aantal voor appellante geschikt te achten functies geduid waarmee geen sprake was van een relevant verlies aan verdiencapaciteit. Bij besluit van 28 september 2007 heeft het Uwv appellante medegedeeld, dat per 24 oktober 2007, in aansluiting op het einde van de wettelijke wachttijd, geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is te stellen op minder dan 35%. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit op bezwaar van 13 maart 2008 door het Uwv ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.

2.1. Op 16 november 2007 heeft appellante zich ziek gemeld met toegenomen nek-, schouder- en rugklachten. In verband met deze melding is door de verzekeringsarts op 21 januari 2008 een rapport uitgebracht. Daarin wordt door deze arts, op basis van de bevindingen uit eigen onderzoek en de verkregen informatie van de behandelend sector, gesteld dat de belastbaarheid van appellante gelijk is aan haar belastbaarheid per 24 oktober 2007. Dit standpunt resulteert in een FML van 23 januari 2008, waarin dezelfde beperkingen zijn opgenomen als in de FML van 20 augustus 2007. Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het Uwv aan appellante onder meer bericht dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 16 november 2007.

2.2. In het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is aangevoerd dat haar lichamelijke en psychische beperkingen zijn toegenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 11 juni 2008 een rapport uitgebracht. Bij haar oordeel heeft zij aanwezige informatie van de behandelend sector betrokken. Op basis van haar bevindingen concludeerde de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport dat er geen reden was om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Bij besluit van 12 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, waarbij is aangevoerd dat sprake is van een toename van haar psychische klachten, waarbij erge pijn en depressies op de voorgrond treden. Ter onderbouwing van dit standpunt is gewezen op de verklaring van neurochirurg R. Brouwer-Mladin van 20 oktober 2008, een episodelijst van de huisarts van appellante en een rapport van 3 oktober 2008 van GZ-psycholoog F.J. Wildschut, werkzaam voor GGZ Noord-Holland-Noord.

4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat de rapportages van de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen, er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van die rapportages en het Uwv met recht heeft aangenomen dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 15 december 2008 gereageerd heeft op de namens appellante in beroep overgelegde medische informatie en voorts gemotiveerd geen aanleiding heeft gezien om haar eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Uit het feit dat appellante, zoals ter zitting van de rechtbank is gebleken, per maart 2008 toegenomen arbeidsongeschikt wordt geacht volgt naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de hierop ter zitting door de gemachtigde van het Uwv gegeven toelichting, evenmin dat appellante per datum thans in geding reeds toegenomen arbeidsongeschikt was.

5. Namens appellante is in hoger beroep herhaald dat haar psychische en lichamelijke klachten vanaf 16 november 2007 verder zijn toegenomen, waardoor de eerder op 20 augustus 2007 vastgestelde beperkingen niet meer toereikend zijn.

6. De Raad is van oordeel dat in de voorhanden medische gegevens geen, althans ontoereikende basis is te vinden voor de stelling dat er op 16 november 2007 sprake was van een in het kader van de Wet WIA relevante toename van arbeidsongeschiktheid. De Raad heeft in zijn beoordeling betrokken dat de verzekeringsartsen van het Uwv rekening hebben gehouden met appellantes klachten en de over appellante bekende informatie uit de behandelend sector bij hun oordeel hebben betrokken. Daarbij acht de Raad van belang dat de bezwaarverzekeringsarts in haar in beroep overgelegde rapport van 15 december 2008 uitvoerig heeft gemotiveerd waarom de door appellante overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft om vanaf 16 november 2007 toegenomen arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Op verzoek van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in hoger beroep nogmaals haar standpunt toegelicht. Nu namens appellante in hoger beroep geen medische informatie is overgelegd die twijfel doet ontstaan aan de juistheid van het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt, heeft de Raad geen aanknopingspunt om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

7. Gelet op het onder 6 overwogene dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK