Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
10-3782 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3782 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Hertogenbosch van 10 juni 2010, 09/1485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011.

Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als puntlasser toen hij zich met ingang van 29 april 1993 ziek meldde met rugklachten. Nadien was ook sprake van psychische klachten. Appellant is met ingang van 28 april 1994 een volledige WAO-uitkering toegekend, welke jarenlang ongewijzigd bleef.

2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit op 16 april 2008 onderzocht door de arts P.A. van Beek. Omdat het klachtenpatroon en het geclaimde onvermogen bij het lichamelijk onderzoek niet konden worden onderbouwd, heeft Van Beek, zo komt uit zijn rapport van 5 september 2008 naar voren, nader onderzoek door de orthopedisch chirurg K.W.B.F. Scheepstra noodzakelijk geacht. Blijkens de brieven van deze specialist van 12 juni en 16 juli 2008 was er bij appellant bij MRI-onderzoek sprake van een minimale degeneratie en bulging op de niveaus L4-L5 en L5-S1 en was er geen sprake van ernstige zaken. Onder het stellen van de diagnose aspecifieke lage rugklachten en retropatellaire chondropathie – dit laatste in verband met de knieklachten van appellant – achtte Van Beek appellant in staat tot lichte rug- en kniesparende werkzaamheden. De beperkingen legde Van Beek vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding een verlies aan verdienvermogen berekend van 22,86%. Hierna herzag het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2009 naar de klasse 15 tot 25%.

3. De bezwaarverzekeringsarts A. Deitz zag volgens een rapport van 9 maart 2009 in de in de bezwaarprocedure ingezonden brief van Scheepstra van 12 februari 2009, waarin deze concludeerde tot lage rugpijn op basis van een fors degeneratieve discus L4-L5, geen reden voor het stellen van aanvullende fysieke beperkingen. Wel meende Deitz dat de brief van psychiater S. Gülsacan van 2 februari 2009, waarin als diagnose werd vermeld een chronische depressieve stoornis, aanleiding gaf tot aanvulling van de FML. Overeenkomstig zijn bevindingen bij oriënterend psychisch onderzoek na de hoorzitting dienden volgens Deitz in de FML geen ernstige psychische beperkingen te worden opgenomen. Vervolgens liet de bezwaararbeidsdeskundige J.A.F. Vrijburg een aantal functies vervallen en op basis van deels andere functies berekende hij in zijn rapport van 1 april 2009 een verlies van verdienvermogen van 37,2%. Na bekendmaking op 2 april 2009 van het voornemen de schatting te wijzigen, waarop appellant bij brief van 15 april 2009 reageerde met handhaving van zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt was, besliste het Uwv op 22 april 2009 op het bezwaar van appellant. Deze beslissing hield in dat het bezwaar gegrond werd verklaard, dat appellant per 1 januari 2009 onveranderd volledig arbeidsongeschikt bleef en dat de WAO-uitkering met ingang van 3 juni 2009 werd herzien naar de klasse 35 tot 45%.

4. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 22 april 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. Zij onderschreef – kort gezegd – de medische grondslag van het bestreden besluit en de medische geschiktheid van de aan appellant uiteindelijk geduide functies.

5. In hoger beroep herhaalde appellant in essentie zijn in beroep voorgedragen gronden en argumenten tegen de medische beoordeling en de functieduiding.

6.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien daarover anders te oordelen dan de rechtbank. Evenals de rechtbank wijst de Raad daarvoor in de eerste plaats naar de bevindingen van Scheepstra. Voorts is de Raad van oordeel dat uit de in beroep op 18 maart 2010 en in hoger beroep wederom overgelegde brieven van de orthopedisch chirurg prof. dr. K. Bernsmann van 6 en 17 maart 2010 – ten aanzien waarvan uit de aangevallen uitspraak niet kenbaar valt af te leiden of de rechtbank deze mede heeft beoordeeld – wat betreft de datum in geding niet een wezenlijk ander beeld naar voren komt dan Deitz op basis van de brieven van Scheepstra heeft vastgesteld. Volgens Bernsmann liet MRI-onderzoek op 8 januari 2009 geen verandering zien ten opzichte van dat van 24 juni 2008, werd appellant in mei en juni 2009 conservatief behandeld met tijdelijk goed resultaat bij een pseudoradiculair lumbaal syndroom en was er bij MRI-onderzoek op 2 februari 2010 sprake van een vergroting van de hernia op L4/L5 en bij dat onderzoek van terugkomende klachten. Met bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal in diens reactie van 23 augustus 2010 is de Raad van oordeel dat de door Bernsmann gemelde toename van klachten in februari 2010, gezien de informatie betreffende de behandeling in mei en juni 2009, geen betrekking heeft op de datum in geding. Voorts ligt de brief van Güsulcan van 18 maart 2010 volgens Admiraal in lijn met diens eerdere in overweging 3 vermelde brief. Daarbij tekende Admiraal aan dat Güsulcan toen al symptomatologie in de sfeer van een paniekstoornis vermeldde. Ten slotte valt aan de beschikbare medische gegevens niet te ontlenen dat de door Güsulcan vermelde recente cardiale aandoening ook reeds op de datum in geding van betekenis was.

6.2. Wat betreft de medische geschiktheid van de geduide functies overweegt de Raad dat hem niet onaanvaardbaar voorkomt de toelichting in het in overweging 3 vermelde rapport van Vrijburg op de overschrijding van de belastbaarheid op het aspect staan in de drie onder de SBC-code 271130 vallende functies samensteller kunststof en rubberindustrie. De stabelasting is volgens de FML weliswaar maximaal ongeveer een half uur achtereen, terwijl volgens het Resultaat Functiebeoordeling de stabelasting dagelijks tijdens twee werkuren 1 maal ongeveer 45 minuten achtereen bij stawerk is. Vrijburg overlegde over deze overschrijding met Deitz en tekende aan dat de belasting slechts gold voor een gering aantal uren terwijl het staan, zoals uit het Resultaat functiebeoordeling naar voren komt, ook nog wordt onderbroken door geregeld enkele meters lopen. Niet valt derhalve in te zien dat op het aspect staan sprake is van een ongeoorloofde relativering van de belasting zoals namens appellant in beroep is gesteld. Voorts gaf Vrijburg in het rapport van 30 augustus 2010 aan dat, anders dan appellant in hoger beroep meent, in de in de bezwaarprocedure geduide functie onder de SBC-code 111220 met functienummer 9251-0001-001 geen sprake is van het besturen van een elektrische hefwagen. Gezien het feit dat in het resultaat functiebeoordeling van deze functie sprake is van het verzamelen van materiaal op een licht verrijdbare magazijnwagen komt deze vaststelling van Vrijburg, waarop namens appellant overigens niet meer is gereageerd, de Raad niet onjuist voor.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met enige aanvulling van gronden, dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Venneman.

RK