Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
09-5806 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie. Re-integratie-inspanningen wat betreft het tweede spoor zijn onvoldoende gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5806 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 september 2009, 08/5105 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Aan dit het geding heeft tevens als partij deelgenomen [naam werknemer], wonende te [woonplaats] (hierna: de werknemer).

Datum uitspraak: 27 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.J.B. de Wolff, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011. Appellante is verschenen bij mr. De Wolff, bijgestaan door J.A. van [V.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. De werknemer is – na berichtgeving – niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het Uwv het tijdvak van 104 weken waarin de werknemer jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken verlengd. Deze verlenging (ook aangeduid als: de loonsanctie) is opgelegd, omdat zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Bij besluit van 6 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman van 1 oktober 2008, het bezwaar van appellante tegen het besluit van

31 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Vastgesteld is dat niet in geschil is dat de werknemer niet meer kon terugkeren bij appellante waar hij als [naam functie] gedurende 18 uur per week had gewerkt. Evenmin is in geschil dat, gelet op de gezondheidstoestand van de werknemer, actief kon worden gewerkt aan zijn re-integratie. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv op goede gronden tot de conclusie gekomen dat appellante onvoldoende inspanningen heeft verricht om de werknemer via het tweede spoor te re-integreren. Reeds op

30 oktober 2007 heeft de arbeidsdeskundige van de arbodienst het advies gegeven om voor de werknemer een outplacementtraject in te kopen, eventueel voorafgegaan door een loopbaanheroriëntatie. Appellante heeft M. [M.], een oud-bestuurslid van appellante en ten tijde hier van belang re-integratiecoach, bereid gevonden om gratis het traject met de werknemer aan te vangen. [M.] heeft gesprekken met de werknemer gevoerd die gericht waren op het verkrijgen van zelfinzicht. Aan een vervolg in de vorm van een outplacementtraject is appellante niet toegekomen op grond van het feit dat [M.] haar had laten weten dat zijn conclusie is dat verder “de beste begeleiding géén begeleiding is”. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat deze stelling van [M.] niet is onderbouwd. Ook anderszins is niet kunnen blijken dat deze stelling juist is, aangezien de werknemer geen ander werk had gevonden en kennelijk niet veelvuldig had gesolliciteerd. Zeker in het geval van een werknemer die wordt gehinderd door medische beperkingen is een – toetsbare – deskundige begeleiding, al dan niet via een outplacementbureau, van belang. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke, concreet op het verkrijgen van werk gerichte, begeleiding (veel) verder gaat dan het schrijven van sollicitatiebrieven. Het inschakelen van een re-integratie-bureau is evenwel achterwege gebleven. Tevens is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat onvoldoende is gebleken dat verdergaande re-integratie-inspanningen van appellante, ook financieel gezien, niet in redelijkheid van haar waren te vergen.

3. In hoger beroep heeft appellante gewezen op de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. Appellante stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding was de juistheid van het advies van de terzake deskundige [M.] om de werknemer geen verdere begeleiding aan te bieden in twijfel te trekken. Voor de werknemer hebben zich, ondanks de door haar en de werknemer ondernomen activiteiten, gedurende de wachttijd geen mogelijkheden voorgedaan om daadwerkelijk arbeid via het tweede spoor te verrichten. Haar zwakke financiële positie rechtvaardigde volgens appellante geen bijstand door een outplacementbureau. Bovendien is uit het onderzoek “Re-integratiemarktanalyse 2008” van de Raad voor Werk en inkomen gebleken dat bemiddeling door re-integratiebedrijven, gericht op herplaatsing bij andere werkgevers, in 2006 slechts in 26% van de gevallen tot duurzame werkhervatting leidde. Gelet op de stand van de arbeidsmarkt in (de tweede helft van) 2008 zal dit percentage nog aanzienlijk zijn gedaald. Ter zitting heeft appellante voorts gewezen op een aan de Tweede kamer gerichte brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 2011 (R&P/AV/2011/1432). Daarin is vermeld dat deelname aan een traject het vinden van een baan kan vertragen, met name als betrokkenen zelfredzaam zijn. Tevens is in die brief het netto-effect van re-integratiedienstverlening geraamd op gemiddeld maar 10%-punt. Nu ook terugkeer van de werknemer binnen de eigen organisatie van appellante was uitgesloten, ontbrak elke reden voor het opleggen van een loonsanctie.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Het geschil heeft zich daarbij toegespitst op de vraag of via het tweede spoor sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in het rapport van de arbeidsdeskundige S. Holtewes van 30 juni 2008 en de door de bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman opgestelde rapporten van 1 oktober 2008, 2 juli 2009 en 30 november 2009. Vastgesteld is dat te weinig, te weten vier, gesprekken van de werknemer met [M.] hebben plaatsgevonden en daarin is ten onrechte niet de nadruk gelegd op het verkrijgen van werk. De gesignaleerde tekortkomingen rechtvaardigen volgens de (bezwaar)arbeidsdeskundigen de oplegging van de loondoorbetalingsverplichting.

4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv op basis van de beschikbare informatie aannemelijk gemaakt dat er geen sprake was van voldoende re-integratie-inspanningen van appellante. De Raad stelt vast dat het in de periode die hier ter beoordeling staat niet is gekomen tot relevante activiteiten van appellante. Hieraan ligt ten grondslag het feit dat appellante, in het bijzonder op basis van de mededelingen van [M.] en voorts van de periodieke overzichten van de werknemer, ervan is blijven uitgaan dat zij geen nadere stappen behoefde te zetten en dat de werknemer ten tijde hier van belang voldoende actief was. Op 23 juni 2008 heeft [M.] echter aan de arbeidsdeskundige Holtewes toegelicht dat zijn methode niet nadrukkelijk was gericht op het verkrijgen van ander werk, het leren solliciteren en dergelijke, maar op het verkrijgen van zelfinzicht bij de werknemer. Voorts heeft [M.] verklaard dat het in dit geval juist niet wenselijk was om de werknemer aan de hand te nemen door vacatures te bekijken en actief te bemiddelen in het verkrijgen van werk. Van de werknemer heeft deze arbeidsdeskundige op 23 juni 2008 vernomen dat hij in de periode van eind november 2007 tot eind januari 2008 vier gesprekken heeft gevoerd met [M.] en dat hij niet erg geholpen is om ander werk te zoeken en dat er van werd uitgegaan dat hij dat zelf wel kon.

4.5. Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat zij mocht afgaan op het advies van [M.] en niet aansprakelijk is voor mogelijke tekortkomingen daarin, verwijst de Raad naar zijn uitspraak 18 november 2009, LJN BK3713, waar is geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever is gelegen. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden terzake thans anders te oordelen, zodat deze gronden niet kunnen leiden tot het door appellante gewenste resultaat.

4.6. Met de rechtbank en onder verwijzing naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen, komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv terecht de conclusie heeft getrokken dat appellante tijdens de wachttijd te afwachtend was en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode wat betreft het tweede spoor onvoldoende zijn gebleven. De Raad stelt vast dat onvoldoende concrete, tijdige re-integratie-inspanningen van appellante via het tweede spoor zijn aan te wijzen. Het enkele in ontvangst nemen van de gedurende enkele maanden aan haar toegezonden overzichten van de werknemer over zijn sollicitatieactiviteiten die zouden hebben plaatsgevonden, kan niet als zodanige, hier van doorslaggevend gewicht te achten inspanning van appellante worden aangemerkt. Ook het houden van een aantal gesprekken met een of meer bestuursleden van appellante, van welke gesprekken niet met voldoende zekerheid is vast te stellen welke inhoud deze hadden, brengt de Raad niet tot het oordeel dat appellante aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. In haar (aanvullend) beroepschrift heeft appellante aangevoerd dat haar bestuur er op toezag dat concrete sollicitatieactiviteiten, voornamelijk het versturen van vier sollicitatiebrieven per maand, plaatsvonden. Zoals uit de overwegingen van de rechtbank kan worden afgeleid, gaat het concreet op het verkrijgen van werk gerichte begeleiden van een werknemer verder dan het (doen) schrijven van sollicitatiebrieven. Hetgeen appellante heeft aangevoerd over de geringe netto effectiviteit van de re-integratiedienstverlening brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad stelt vast dat in genoemde brief van

17 februari 2011 is vermeld dat in het algemeen trajecten voor ouderen effectiever zijn dan voor jongeren en dat de werknemer, die is geboren [in] 1959, tot de eerste categorie behoort. Tevens is in die brief te lezen dat door het ontbreken van gegevens over de kosten en baten van re-integratie het inzicht in de effectiviteit nog steeds onvoldoende is. Van een situatie waarin de werknemer voldoende zelfredzaam was, is naar het oordeel van de Raad voorts niet gebleken.

4.7. De stelling van appellante dat haar financiële positie geen bijstand door een duur outplacementbureau rechtvaardigde, kan naar het oordeel van de Raad niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Appellante heeft aangevoerd dat de zich onder de gedingstukken bevindende kostenraming van re-integratiebedrijf HSK geen betrekking op de re-integratie van de werknemer bij een andere werkgever. Echter niet is gesteld of gebleken dat appellante om een dergelijke raming heeft verzocht bij een ander re-integratiebedrijf, zodat niet aannemelijk is gemaakt welk bedrag in dit concrete geval aan de orde zou zijn geweest. De Raad merkt in dit kader nog op dat appellante zich bij de vraag of verdere, intensievere begeleiding van de werknemer nodig was geheel heeft laten leiden door het advies van [M.] om zodanige begeleiding achterwege te laten. Er is dan ook geen aanleiding voor de veronderstelling dat financiële aspecten daarbij toen een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Appellante heeft tevens aangevoerd dat de werknemer een academisch niveau en veel uiteenlopende praktische werkervaring heeft. De werknemer heeft daarom volgens appellante redelijk veel (in elk geval fysieke en intellectuele) mogelijkheden waardoor er bijvoorbeeld geen omscholingstraject, een vaardighedentraining aangeboden behoefde te worden en haar inspanningen beperkt konden blijven. Daarvan uitgaande hadden de kosten voor een verdere, concrete begeleiding van de werknemer naar de arbeidsmarkt bovendien van een relatief beperkte omvang kunnen blijven.

4.8. De Raad onderschrijft gelet op het vorenstaande tevens de conclusie van het Uwv dat appellante voor haar tekortkoming op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad.

4.9. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 en met 4.8 is overwogen volgt dat de Raad – evenals de rechtbank – van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

5. De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK