Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
10-4379 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging en terugvordering toeslag ingevolge de TW. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het ontvangen door zijn echtgenote van inkomsten uit arbeid ten bedrage van ongeveer € 600, - per maand mogelijk niet zonder gevolgen zou kunnen blijven voor de door hem op zijn WAO-uitkering ontvangen toeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4379 TW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 juni 2010, 09/2650 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. de Boer, advocaat te Sneek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boer. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 3 augustus 2009 heeft het Uwv, naar aanleiding van een mededeling van de gemeente Smallingerland dat de echtgenote van appellant inkomen uit arbeid heeft, de toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) die appellant ontving op zijn naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met terugwerkende kracht per 10 juli 2007 beëindigd.

1.2. Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het Uwv een bedrag van € 2725,65 van appellant teruggevorderd, als over het tijdvak van 10 juli 2007 tot en met 31 juli 2009 onverschuldigd aan appellant betaalde toeslag.

1.3. Bij besluit van 29 oktober 2009, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het door appellant tegen de besluiten van 3 augustus 2009 en 27 augustus 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, in de eerste plaats geoordeeld dat de intrekking van de toeslag met terugwerkende kracht geen bezwaren in rechte ontmoet, daar het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het ontvangen door zijn echtgenote van een bedrag van circa € 600, - per maand van invloed zou kunnen zijn op het recht op toeslag dan wel op de hoogte ervan.

2.3. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de terugvordering. Het beroep dat appellant heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, stellende dat hij in het vertrouwen dat zijn begeleiders alles goed voor hem geregeld hadden, in de veronderstelling verkeerde dat hij het hem ter beschikking gestelde geld mocht behouden en hij dat geld - dan ook - geheel heeft opgemaakt, heeft de rechtbank opgevat als een beroep op de aanwezigheid van een dringende reden als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW. De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de uitleg die in vaste rechtspraak aan het begrip dringende reden is gegeven, hetgeen appellant heeft aangevoerd voor het Uwv geen dringende reden oplevert om af te zien van de onderhavige terugvordering.

3.1. Gelet op het namens appellant ingediende beroepschrift en onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, stelt de Raad vast dat hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, in het bijzonder ziet op het besluit tot terugvordering. Appellant handhaaft als kernbezwaar tegen die terugvordering met nadruk zijn stelling dat hij te goeder trouw is afgegaan op wat zijn begeleiders hem, als van buitenlandse afkomst, hebben verteld. In vertrouwen alles goed te hebben gedaan, heeft hij alle ontvangen gelden opgemaakt. Gezien zijn financiële omstandigheden is hij niet in staat is tot terugbetaling. Appellant wijst er nog op dat hij slecht Nederlands spreekt, weinig ontwikkeld is en ziekelijk.

3.2. De Raad overweegt in de eerste plaats, voor het geval appellant (toch) ook nog het besluit tot beëindiging van de toeslag zou wensen te bestrijden - ter zitting kon daarover desgevraagd namens appellant geen volstrekte duidelijkheid worden verschaft - dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het ontvangen door zijn echtgenote van inkomsten uit arbeid ten bedrage van ongeveer € 600, - per maand mogelijk niet zonder gevolgen zou kunnen blijven voor de door hem op zijn WAO-uitkering ontvangen toeslag.

3.3. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, overweegt de Raad voorts, voor zover het betoog van appellant mede in die zin moet worden begrepen, dat hij appellant evenmin volgt in de stelling dat de door hem aangedragen feiten en omstandigheden een zodanig bijzonder geval opleveren dat strikte toepassing van artikel 20 van de TW wegens strijd met het ongeschreven recht geen rechtsplicht meer kan zijn.

3.4. Volgens vaste rechtspraak kan van een dergelijk bijzonder geval slechts sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan aan een verzekerde uitdrukkelijk en ondubbelzinnig onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verschaft die bij die verzekerde gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is in het geval van appellant in het geheel niet gebleken. Nog ervan afgezien dat appellant niet nader heeft kunnen concretiseren op welke mededelingen van zijn begeleiders hij is afgegaan, doelt hij kennelijk op uitlatingen van functionarissen van de gemeentelijke sociale dienst, althans niet van functionarissen van het Uwv. Reeds om die reden kan deze grief van appellant niet slagen.

3.5. Voor zover appellant bedoelt te stellen dat de beweerdelijk bij hem gewekte verwachting een dringende reden oplevert als bedoeld in het vierde lid van artikel 20 van de TW, onderschrijft de Raad ook die stelling niet. Op grond van dit artikellid is het Uwv bevoegd om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het gaat hier, zoals ook blijkt uit de parlementaire geschiedenis, om uitzonderingen indien voor de betrokkene als gevolg van de terugvordering onaanvaardbare consequenties optreden. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Tegen deze achtergrond bestaat voor het aannemen van dringende redenen op de grond dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen ruimte.

3.6. Ook anderszins is niet kunnen blijken van de aanwezigheid van een dringende reden. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de onderhavige terugvordering voor hem tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen leidt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het Uwv, naar uit de stukken naar voren komt, blijk heeft gegeven rekening te willen houden met een bij appellant bestaande beperkte aflossingscapaciteit, in die zin dat ter effectuering van de terugvordering per maand een bedrag van slechts

€ 10, - op appellants WAO-uitkering wordt ingehouden.

3.7. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) E. Heemsbergen.

RK