Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3504

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
10-4488 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4488 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 juli 2010, 09/1245 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. ing. J.G. van Ek, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Voor appellante is verschenen mr. ing. Van Ek. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 8 mei 2006 is appellante wegens diverse lichamelijke klachten uitgevallen voor haar in een omvang van 20 uur per week verrichte werkzaamheden als productiemedewerkster.

1.2. Bij besluit van 19 januari 2009 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat voor haar met ingang van 18 september 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, daar zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 16 juni 2009, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 januari 2009 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit overwogen dat, anders dan appellante bepleit, in de voorhanden gegevens geen aanknopingspunten zijn om ervan uit te gaan dat bij appellante sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden. In reactie op een stelling daarover van appellante heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat naar vaste rechtspraak van de Raad huishoudelijke taken, met inbegrip van de verzorging van kinderen, buiten beschouwing dienen te blijven bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de verschillende ten aanzien van appellante in aanmerking genomen beperkingen, waaronder een urenbeperking, haar medische beperkingen op de datum in geding juist zijn vastgesteld. Met betrekking tot het namens appellante in het geding gebrachte schrijven van psycholoog M.M.J. Vluggen van 28 december 2009, heeft de rechtbank nog overwogen dat daarin geen steun kan worden gevonden voor de andersluidende eigen opvatting van appellante, nu appellante door die psycholoog is gezien in de periode van 12 oktober 2009 tot en met 4 november 2009, terwijl de datum in geding 18 september 2008 is.

2.3. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting als voor appellante passende arbeidsmogelijkheden ten grondslag gelegde functies. Van de zijde van het Uwv is naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd waarom die functies door appellante kunnen worden vervuld.

3.1. In hoger beroep heeft appellante in het bijzonder staande gehouden dat zij in een situatie verkeert waarin geen sprake is van duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden. Hiertoe doet appellante vooral een beroep op het schrijven van psycholoog Vluggen. De bevindingen van Vluggen hebben volgens appellante, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel degelijk ook betrekking op de datum in geding. Appellante stelt in dit verband dat Vluggen wijst op verschillende “life events”, zoals een auto-ongeluk in 1980, verdere auto-ongelukken in 1996 en 1999, tal van negatieve levensgebeurtenissen alsmede een instabiel gezinsklimaat met een uitgebreide psychiatrische familie-anamnese. Deze gebeurtenissen en omstandigheden zouden hebben bijgedragen tot de psychische toestand van appellante, in verband waarmee het onwaarschijnlijk is te achten dat die toestand ten tijde van de datum in geding wezenlijk anders zou zijn dan ten tijde van de aanmelding bij Vluggen.

3.2. Voor het geval wel terecht een functionele mogelijkheden lijst (FML) is opgesteld voor appellante, wordt aangevoerd dat in die FML zowel haar lichamelijke als haar psychische beperkingen zijn ondergewaardeerd. Ook zou de toegepaste urenbeperking onvoldoende zijn. Volgens appellante valt niet in te zien dat zij gezien haar fibromyalgie zes uur per dag zou kunnen werken.

3.3. Ten slotte wordt per functie aangegeven waarom deze in medisch opzicht niet haalbaar is voor appellante.

4.1. De Raad stelt vast dat wat appellante in hoger beroep doet aanvoeren in essentie neerkomt op een herhaling van de in eerdere stadia van de procedure reeds naar voren gebrachte gronden. De Raad kan zich volledig vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten aanzien van die gronden heeft overwogen en geoordeeld.

4.2. Naar aanleiding van het in hoger beroep benadrukte beroep op het meergenoemde schrijven van psycholoog Vluggen, overweegt de Raad daarbij nog dat de rechtbank terecht ook daarin geen aanknopingspunten heeft gezien om mee te gaan met de stelling van appellante dat zij geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden heeft, dan wel dat zij anderszins zwaarder beperkt is dan vanwege de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. In het bijzonder stelt de Raad zich achter het oordeel van de rechtbank dat de in dat schrijven opgenomen bevindingen en conclusies niet geacht kunnen worden ook betrekking te hebben op de datum in geding.

4.3. De Raad neemt daarbij, mede onder verwijzing naar het bij het verweerschrift gevoegde rapport van bezwaarverzekeringsarts J. Bruintjes van 19 november 2010, in aanmerking dat uit de stukken naar voren komt dat appellante voor het eerst in juni 2009 tegenover de bezwaarverzekeringsarts melding heeft gemaakt van psychische klachten. Daarvóór heeft zij slechts klachten van lichamelijke aard naar voren gebracht. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat appellante zich pas in oktober 2009 tot Vluggen heeft gewend, ziet de Raad met de rechtbank onvoldoende aanleiding om het ervoor te houden dat op de datum in geding in relevante mate sprake was van ernstiger beperkingen op psychisch vlak dan de voor appellante van toepassing geachte beperkingen.

4.4. De onderbouwing die appellante in het beroepschrift voor haar eigen andersluidende opvatting heeft gegeven, overtuigt niet, nu zij immers ondanks de door haar genoemde negatieve life events waarmee zij zich vanaf de jaren tachtig geconfronteerd heeft gezien, in staat is gebleken om loonvormende arbeid te verrichten.

4.5. Nu ook anderszins niet is gebleken van objectief-medische gronden om de voor appellante in aanmerking genomen beperkingen, hetzij op lichamelijk vlak, hetzij op psychisch vlak, hetzij wat betreft de omvang van de te verrichten arbeid, onvoldoende te achten, moet worden geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit in rechte geen bezwaren ontmoet.

4.6. Ten slotte overweegt de Raad dat hij zich in navolging van de rechtbank ook kan stellen achter de bij de onderhavige schatting gebruikte functies. Van de zijde van het Uwv is toereikend uiteengezet dat en waarom, ook op de door appellante bekritiseerde aspecten, die functies geacht moeten worden binnen het bereik van appellante te liggen.

4.7. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) E. Heemsbergen.

RK