Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
10-3276 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3276 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 april 2010, 09/5125 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.J. Saman, advocaat in Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster toen zij zich met ingang van 27 september 2002 ziek meldde met psychische klachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is haar met ingang van 5 januari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 4 mei 2009 heeft verzekeringsarts H. Oderkerk een medisch onderzoek verricht en de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aansluitend heeft arbeidsdeskundige P.W. Nauta functies geselecteerd, tot het vervullen waarvan appellante in staat moet worden geacht. Op grond van een vergelijking tussen het voor appellante geldende maatmaninkomen met de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste loonwaarde is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. Tevens werd een re-integratievisie opgesteld. Bij besluit van 8 juli 2009 is de WAO-uitkering met ingang van 9 september 2009 ingetrokken. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de re-integratievisie vastgesteld.

2. Tegen beide besluiten heeft appellante bezwaar gemaakt en aangevoerd, dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij haar bestaande beperkingen ten aanzien van het sociaal- en persoonlijk functioneren, waarbij het gaat om angst voor drukte en mensen. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellante een brief van psycholoog in opleiding C. Thevissen en GZ-psycholoog J. van Schaik van 22 september 2009 in geding gebracht. Voorts heeft appellante gesteld dat zij als gevolg van haar medische beperkingen niet in staat kan worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen, vanwege de in de functies voorkomende belasting op het gebied van samenwerken, probleem-oplossen, handelingstempo en concentratie, alsmede wisselende diensten. Tevens is ten aanzien van de zevende functie op rij gesteld dat deze niet had mogen worden geselecteerd vanwege het voor die functie vereiste opleidingsniveau. Ten aanzien van de re-integratievisie heeft appellante aangevoerd dat re-integratie niet aan de orde is, zolang zij niet over benutbare arbeidsmogelijkheden beschikt. Nadat bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff de beoordeling door de verzekeringsarts had bevestigd, heeft bezwaararbeidsdeskundige J.G.M. Claessen drie van de voorgehouden functies laten vervallen en in de rapportage van 23 oktober 2009 vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de berekende mate van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit op bezwaar (verder: bestreden besluit) van 26 oktober 2009 is het bezwaar tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft appellante de eerdere gronden herhaald. Voorts is namens appellante een brief van de behandelende psycholoog van 18 maart 2010 ingezonden, waarop de bezwaarverzekeringsarts op 25 maart 2010 heeft gereageerd.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische beoordeling onderschreven en geoordeeld dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een volledig beeld hadden van de gezondheidstoestand van appellante. De rechtbank heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden, op grond waarvan verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen. Ook de door appellante ingebrachte informatie van de behandelende psycholoog is voor de rechtbank geen reden te oordelen dat de beperkingen door het Uwv zouden zijn onderschat. Daarbij heeft de rechtbank waarde gehecht aan de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 25 maart 2010, waarin is aangegeven dat de behandelende psycholoog is uitgegaan van de subjectieve klachtenbeleving van appellante en voorts door de bezwaarverzekeringsarts is gewezen op de discrepantie tussen de in het beroepschrift beschreven - minimale - dagactiviteiten en hetgeen ter zake eerder tegenover de verzekeringsarts werd verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen. Met betrekking tot de geselecteerde functies heeft de rechtbank de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige van de bij de functies voorkomende signaleringen voldoende overtuigend geacht. Voorts heeft de rechtbank appellante niet gevolgd in haar stelling met betrekking tot het vereiste opleidingsniveau. Met een afgeronde opleiding Lagere Beroepsopleiding Verzorging kan appellante naar het oordeel van de rechtbank geacht worden te beschikken over opleidingsniveau 2. Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat bij de geselecteerde functies geen wisselende diensten voorkomen, zodat het beroep tegen de intrekking van de WAO-uitkering ongegrond is verklaard.

3.3. Wat betreft de gronden gericht tegen de re-integratievisie heeft de rechtbank vastgesteld dat - aangezien de intrekking van de WAO-uitkering op grond van geschiktheid voor passende functies door haar als juist is beoordeeld - geen sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en het beroep tegen het besluit inzake de vaststelling van de re-integratievisie mitsdien eveneens ongegrond is.

4. In hoger beroep is uitsluitend volstaan met een herhaling van de eerder geformuleerde gronden.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De Raad kan de overwegingen van de rechtbank ter zake volledig onderschrijven en maakt deze tot de zijne. Dat geldt eveneens voor de gronden die zijn geformuleerd tegen de arbeidskundige beoordeling. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad voor het raadplegen van een deskundige, zoals door appellante is verzocht, geen aanleiding ziet.

5.3. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) E. Heemsbergen.

EV