Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
10-7124 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag WAO-uitkering afgewezen, bedoeld als een verzoek om terug te komen van een eerdere intrekking WAO-uitkering. Niet gebleken dat bij die aanvraag enig nieuw feit of een veranderde omstandigheid is vermeld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/7124 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende in Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2010 zoals gerectificeerd op 6 januari 2011, 10/1216 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011.

Appellant is na kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij uitspraak van 19 november 1996 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen een aan hem op 26 januari 1995 door het toenmalige Gemeenschappelijke Administratiekantoor toegezonden besluit ongegrond verklaard. Bij dat besluit was aan appellant ter zake van bij hem op 19 maart 1986 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet toegekend.

1.2. Bij brief van 24 oktober 2001 heeft appellant bij voormeld kantoor een aanvraag om uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid ingediend. Bij besluit van 17 maart 2003 heeft het Uwv op deze aanvraag afwijzend beslist, onder overweging dat de aanvraag bij het Uwv op 5 juli 2002 was gedaan en appellant een jaar voordien, namelijk op 5 juli 2001, reeds 65 jaar was. Bij besluit van 2 juni 2003 is het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 27 augustus 2004 het beroep tegen het besluit van 2 juni 2003, 04/5250 WAO, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 juni 2006 heeft de Raad deze uitspraak en het besluit van 2 juni 2003 vernietigd. Naar het oordeel van de Raad was het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid, omdat het Uwv had nagelaten te onderzoeken wat de bedoeling was van appellant met zijn schrijven van

24 oktober 2001.

2.2. Ter uitvoering van de onder 2.1 vermelde uitspraak van de Raad heeft het Uwv op 12 oktober 2006 een besluit genomen, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2003 opnieuw ongegrond is verklaard.

2.3. Bij uitspraak van 4 september 2009 heeft de rechtbank Amsterdam het besluit van 12 oktober 2006 vernietigd, omdat het Uwv in het licht van voormelde uitspraak van de Raad nog altijd niet voldoende had onderzocht wat appellant met de brief van 24 oktober 2001 wilde bereiken. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv op 11 februari 2010 een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit) waarbij het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2003 opnieuw ongegrond is verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellant met zijn brief van 24 oktober 2001 slechts bedoeld heeft een nieuwe aanvraag in te dienen ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid per 17 maart 1987. Omdat het Uwv niet heeft getoetst of sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat appellant in zijn aanvraag geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden heeft vermeld die aanleiding kunnen geven tot een andere beslissing dan genomen bij het bestreden besluit en heeft daarom aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

4. Appellant kan zich met dit laatste oordeel van de rechtbank niet verenigen.

5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Uit de aan het Uwv gerichte brief van appellant van 1 december 2009 blijkt genoegzaam dat appellant met zijn brief van 24 oktober 2001 beoogde een aanvraag in te dienen voor een uitkering in verband met zijn sinds 1986 bestaande arbeidsongeschiktheid. Deze strekking wordt ook bevestigd door het op 31 mei 2010 bij de rechtbank ingediende aanvullend beroepschrift. Niet gebleken is dat bij die aanvraag enig nieuw feit of een veranderde omstandigheid is vermeld.

6. Uit hetgeen onder 5 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV