Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
09-5081 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet duurzaam gescheiden. Het College was volledig op de hoogte van de gezondheidssituatie van appellante. Door de vertegenwoordiger van het College is ter zitting bevestigd dat de betrokken bijstandsconsulent aan appellant heeft uitgelegd dat hij wegens de ziekte van appellante in haar woning aanwezig mocht zijn om voor haar en voor zijn kinderen te zorgen. Een beslissingsbevoegde ambtenaar heeft een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging gedaan over de tijd die appellant in de woning van appellante mocht doorbrengen. Nu deze toezegging naar het oordeel van de Raad bij appellanten gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt, staat het vertrouwensbeginsel in de weg aan gebruikmaking van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand en (mede-)terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5081 WWB

09/5082 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats 1], (hierna: appellant), en [Appellante], wonende te [woonplaats 2], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 augustus 2009, 09/15 en 09/17 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldermalsen (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.P. van Stralen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Stralen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Bransen, werkzaam bij de gemeente Geldermalsen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving met ingang van 21 maart 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij heeft met appellant twee kinderen en was gehuwd met appellant totdat de rechtbank Arnhem bij beschikking van 10 november 2008 de echtscheiding tussen appellanten heeft uitgesproken. Op de zogeheten rechtmatigheidsonderzoeksformulieren heeft appellante aan het College opgegeven dat alleen zij en haar twee kinderen op het bij het College bekende adres in [woonplaats 2] woonden. Appellant stond vanaf de aanvang van de bijstand van appellante in de basisadministratie van de gemeente Utrecht ingeschreven als wonende in Utrecht.

1.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant bij appellante woonde, heeft de sociale recherche van de Regio Rivierenland een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In de bevindingen van het onderzoek, die zijn neergelegd in een rapportage van 27 augustus 2008, heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 15 juli 2008 de bijstand van appellante met ingang van 21 maart 2007 in te trekken met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante en appellant vanaf 21 maart 2007 een gezamenlijke huishouding voeren en dat zij daarvan geen melding aan het College heeft gedaan. Voorts heeft het College de over de periode van 21 maart 2007 tot en met 31 mei 2008 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.858,32 bruto van appellante teruggevorderd met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en dit bedrag mede van appellant teruggevorderd met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB.

1.3. Het College heeft bij besluit van 11 november 2008 de bezwaren van appellanten

tegen het besluit van 15 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellanten tegen het besluit van 11 november 2008, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het College een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd door aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen dat appellanten in de periode van 21 maart 2007 tot en met

31 mei 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, nu zij in die periode met elkaar gehuwd waren. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen evenwel voldoende grond om aan te nemen dat appellanten in die periode niet duurzaam gescheiden hebben geleefd als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. Dit betekent dat appellante in die periode geen zelfstandig subject van bijstand is geweest en dat zij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder heeft gehad.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 21 maart 2007 tot en met

15 juli 2008.

4.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellanten vanaf de aanvang van de verlening van bijstand niet duurzaam gescheiden hebben geleefd. De Raad verwijst daartoe naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De omstandigheden dat appellant over een afzonderlijke woonruimte heeft beschikt en een vaste baan heeft gehad, staan er niet aan in de weg dat van een situatie van duurzaam gescheiden leven in bovenvermelde zin geen sprake is geweest. Uit de bevindingen van het onderzoek blijkt immers dat appellant niettemin in aanzienlijke mate in de woning van appellante aanwezig is geweest.

4.4. De stellingen omtrent de zorg die appellant aan appellante heeft verleend in verband met haar ernstige ziekte kunnen naar het oordeel van de Raad evenmin tot het oordeel leiden dat sprake is geweest van duurzaam gescheiden leven. Zoals de Raad al herhaaldelijk heeft geoordeeld, zijn de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie in dat verband namelijk niet van belang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 augustus 2008, LJN BD9631).

4.5. Ter zitting van de Raad is de stelling van appellanten aan de orde gekomen dat zij met het College afspraken hebben gemaakt over de hoeveelheid tijd die appellant in de woning van appellante aanwezig mocht zijn in verband met de zorgbehoefte bij haar en de kinderen van appellanten. Daarbij is gebleken dat het College volledig op de hoogte was van de gezondheidssituatie van appellante. Door de vertegenwoordiger van het College is ter zitting bevestigd dat de betrokken bijstandsconsulent aan appellant heeft uitgelegd dat hij wegens de ziekte van appellante in haar woning aanwezig mocht zijn om voor haar en voor zijn kinderen te zorgen.

4.6. Uit het voorgaande leidt de Raad af dat een beslissingsbevoegde ambtenaar een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan over de tijd die appellant in de woning van appellante mocht doorbrengen. Nu deze toezegging naar het oordeel van de Raad bij appellanten gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt, staat het vertrouwensbeginsel in de weg aan gebruikmaking van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand en (mede-)terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand.

4.7. Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat het hoger beroep van appellanten slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het besluit van 11 november 2008 wegens strijd met het vertrouwensbeginsel vernietigen. Voorts ziet de Raad aanleiding om het primaire besluit van 15 juli 2008 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te herroepen, nu dit besluit eveneens in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen en de schending van dit beginsel niet kan worden hersteld.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 11 november 2008;

Herroept het besluit van 15 juli 2008;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. De Jong als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2011.

(get.) H.A.A.G Vermeulen.

(get.) J. de Jong.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

EW