Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
11-3392 ZW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Hierbij heeft de voorzieningenrechter van belang geacht dat verzoekster in het geheel geen concrete, op haar (gezondheids)situatie toegesneden omstandigheden heeft aangevoerd noch een onderbouwing voor haar standpunt heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3392 ZW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 maart 2011, 10/5491 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te 's-Gravenhage, een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het Uwv heeft nog geen reactie gegeven op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Juchter van Bergen Quast. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

2. Bij ongedateerd besluit (naar de Raad aanneemt 2 juni 2010) heeft het Uwv verzoekster meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 7 juni 2010 wordt beëindigd, omdat verzoekster op die datum geschikt wordt geacht om haar arbeid te verrichten. Bij besluit van 19 juli 2010 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van verzoekster tegen het ongedateerde besluit ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak van 16 maart 2011 heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft verzoekster zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In haar verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft zij verzocht om de voorlopige voorziening te treffen inhoudende het onmiddellijk en onverkort hervatten en uitbetalen van de aan haar vanaf de datum 7 juni 2010 toekomende uitkering ingevolge de ZW tot het moment waarop in hoger beroep is beslist.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 december 2003 (LJN AO0764), de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

5.3. Namens verzoekster is aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat verzoekster als gevolg van het bestreden besluit verplicht is om te solliciteren naar een nieuwe baan. Zij is daartoe niet in staat, omdat zij lijdende is aan een posttraumatische stressstoornis. Zou zij desondanks toch gaan solliciteren, dan is de kans groot dat zij zal worden blootgesteld aan factoren die haar medische situatie zullen verslechteren.

5.4. In hetgeen de gemachtigde van verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Hierbij heeft de voorzieningenrechter van belang geacht dat verzoekster in het geheel geen concrete, op haar (gezondheids)situatie toegesneden omstandigheden heeft aangevoerd noch een onderbouwing voor haar standpunt heeft gegeven.

6. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet daarom worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK