Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
09-6888 WSW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om te bepalen dat appellant behoort tot de doelgroep van WSW. Voldoende gemotiveerd dat appellant met zijn beperkingen geacht moet worden arbeid in een normale werkomgeving te kunnen verrichten. Niet gebleken dat de noodzakelijk geachte aanpassingen om dergelijke arbeid te kunnen verrichten dermate kostbaar of ingrijpend zijn dat zij in redelijkheid niet van een werkgever in het vrije bedrijf te verlangen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6888 WSW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 12 november 2009, 09/26 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtsopvolger van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: raad van bestuur)

Datum uitspraak: 21 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.H. Rijkse, advocaat te Hulst. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door R.L.A.M. Stapert, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2009 is krachtens de Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering, Stb. 2008, 600, de raad van bestuur in de plaats getreden van de raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI). Waar in deze uitspraak sprake is van de raad van bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de raad van bestuur van de CWI.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 2 juli 2008 heeft de raad van bestuur afwijzend beslist op het verzoek van appellant te bepalen dat hij behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. Uit de resultaten van het daartoe verrichte onderzoek is gebleken dat appellant in staat is passende arbeid te verrichten met behulp van noodzakelijke aanpassingen, die buiten de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) gerealiseerd kunnen worden in een overigens normale werkomgeving. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 december 2008.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. Het standpunt van de raad van bestuur berust onder meer op de rapportage van 16 april 2008 van de bedrijfsarts v C, die, na dossieronderzoek en anamnese, de voor appellant geldende beperkingen ten aanzien van de fysieke belasting in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft vastgesteld. De fysieke beperkingen houden voornamelijk verband met de verhoogde bloeddruk, suikerziekte en gewrichts- en schouderklachten van appellant. Naar aanleiding van deze rapportage is vervolgens de arbeidsdeskundige S in zijn rapport van 24 april 2008 tot de conclusie gekomen dat appellant ondanks zijn beperkingen van lichamelijke aard in staat is passende arbeid onder normale omstandigheden te verrichten met voorzieningen die buiten de Wsw in een normale werkomgeving gerealiseerd kunnen worden. Naar aanleiding van appellants bezwaarschrift heeft de raad van bestuur een psychologisch onderzoek laten verrichten. Psycholoog B heeft na het afnemen van een anamnese en verscheidene testen in zijn rapport van 20 oktober 2008 onder meer geconcludeerd dat appellant wat sneller dan gemiddeld het risico loopt om bij stress uit evenwicht te geraken, wat zich bij hem waarschijnlijk snel zal vertalen in een heftige en verbale reactie. Dit leidt volgens de psycholoog tot beperkingen in de rubriek persoonlijk en sociaal functioneren van de FML. Vervolgens heeft het Multi Disciplinair Overleg (MDO) appellant beoordeeld. Het MDO, bestaande uit een arts, een psycholoog en een arbeidsdeskundige, heeft zijn advies van 11 november 2008 gebaseerd op de stukken, zoals die zich in het dossier van appellant bevonden. In zijn rapportage van 11 november 2008 heeft het MDO de beperkingen van appellant nader gepreciseerd en de maatregelen en voorzieningen ten aanzien van de door appellant te verrichten arbeid nader aangevuld. Dit leidt volgens het MDO tot geen andere conclusie dan dat appellant in de normale werkomgeving in staat is om passende arbeid te verrichten.

4.2. De Raad is, gelet op hetgeen onder 4.1 is weergegeven, evenals de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt. De in bezwaar door appellant ingebrachte informatie, afkomstig van zijn voormalige werkgever Arbeidsintegratiebedrijf Dethon en van zijn huisarts, alsmede het in beroep ingebrachte overzicht van Hulster Apotheken van de door appellant gebruikte medicijnen, heeft de Raad geen aanleiding gegeven te oordelen dat er voor appellant andere of zwaardere beperkingen zouden moeten gelden dan waarvan de raad van bestuur in zijn besluitvorming is uitgegaan. Ook in hoger beroep zijn van de zijde van appellant geen gegevens aangedragen die aanleiding geven tot twijfel aan de uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken en de daaraan verbonden conclusies. Gelet hierop ziet ook de Raad geen aanleiding om een deskundige aan te wijzen.

4.3. Verder is de Raad van oordeel dat de raad van bestuur voldoende heeft gemotiveerd dat appellant met zijn beperkingen geacht moet worden arbeid in een normale werkomgeving te kunnen verrichten. De Raad is niet gebleken dat de door de raad van bestuur noodzakelijk geachte aanpassingen om dergelijke arbeid te kunnen verrichten dermate kostbaar of ingrijpend zijn dat zij in redelijkheid niet van een werkgever in het vrije bedrijf te verlangen zijn.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2011.

(get.) K.J. Kraan.

(get.) N.M. van Gorkum.

IJ