Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
09-6371 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

PGB toegekend om een elektrische rolstoel aan te schaffen. De Raad vermag niet in te zien dat in het geval van appellante het persoonsgebonden budget niet zou mogen worden aangewend voor de door haar aangevraagde meerkosten van de aanschaf en de aanpassing van een rolstoelbus. Het beroep van appellante is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/192
RSV 2011/304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6371 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 2 juli 2009 (08/4915) heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 31 oktober 2008 gegrond verklaard. Namens appellante heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Dit hoger beroep is bij de Raad geregistreerd onder nummer 09/4471 WMO.

Hangende dit hoger beroep heeft het College ter uitvoering van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar van 21 oktober 2009 genomen. De Raad is van oordeel dat dit een besluit is als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb in de beoordeling zal worden betrokken. Het beroep hiertegen is bij de Raad geregistreerd onder nummer 09/6371 WMO.

Appellante heeft op 6 september 2010 haar tegen het besluit van 21 oktober 2009 gerichte beroepsgronden aan de Raad gefaxt.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 09/4471 WMO en 09/6371 WMO heeft plaatsgevonden op 8 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Vermaat. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.E. de Zwart-Dulfer. De Raad heeft in de zaak 09/6371 WMO het onderzoek ter zitting geschorst.

In de zaak 09/4471 WMO heeft de Raad op 20 oktober 2010, LJN BO2807 de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten, bevestigd.

Het onderzoek ter zitting in de zaak 09/6371 is voortgezet op 3 november 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Vermaat. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend en het College bij brief van 29 november 2010 een aantal vragen voorgelegd met betrekking tot het besluit van 21 oktober 2009. Bij brief van 16 december 2010 heeft het College de vragen van de Raad beantwoord. Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 25 februari 2011.

Het onderzoek ter zitting in de zaak 09/6371 is voortgezet op 16 maart 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Oudendijk en mr. A.P.E. de Zwart-Dulfer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1945, heeft een dwarslaesie. Zij heeft op 10 mei 2007 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag ingediend voor een vervoersvoorziening in de vorm van een vergoeding voor de meerkosten van de aanschaf en aanpassing van een rolstoelbus.

1.2. De arts J.M. Hobbelt-Stoker, verbonden aan Argonaut Advies B.V., heeft het College bij rapport van 6 juli 2007 van advies gediend. Appellante is door de dwarslaesie verlamd aan de benen en de linkerarm. Voorts heeft zij in toenemende mate moeite met het op peil houden van de temperatuur in haar benen bij lage buitentemperaturen. Zij kan geen gebruik maken van het regiovervoer en van VALYS en is aangewezen op vervoer in een verwarmd vervoermiddel. Geconcludeerd is dat er een indicatie is voor een vervoersvoorziening in de vorm van een autoaanpassing.

1.3. De arts J. Biersteker, verbonden aan Argonaut Advies B.V., heeft het College bij rapport van 30 januari 2008 aanvullend geadviseerd over de aanvraag van appellante. Geconcludeerd is dat appellante met het collectief vervoer kan reizen, indien bij langere reizen een chemisch toilet kan worden meegenomen. Appellante moet zittend in de rolstoel vervoerd kunnen worden en zij is aangewezen op extra service van de chauffeur bij vervoer van deur tot deur.

1.4. Het College heeft de aanvraag bij besluit van 14 maart 2008 afgewezen op de grond dat appellante is geïndiceerd voor individueel rolstoeltaxivervoer. Het College heeft haar in plaats van de aangevraagde voorziening een vervoerskostenvergoeding toegekend. Rekening houdend met haar inkomen is die vergoeding vastgesteld op het verschil tussen de kosten van een rolstoeltaxi en een reguliere taxi, zijnde € 672,55 per jaar.

1.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 maart 2008.

1.6. Hangende dat bezwaar heeft het College nader advies ingewonnen van de arts Koning-van den Berg van Saparoea, verbonden aan Trompetter & Van Eeden. Deze is blijkens een rapport van 27 juni 2008 tot de conclusie gekomen dat er geen contra-indicatie is voor individueel rolstoeltaxivervoer mits appellante in een adequate rolstoel, voorzien van hoofdsteun en rompfixatie, wordt vervoerd en gebruik kan maken van deur tot deur begeleiding.

1.7. Het College heeft het bezwaar bij besluit van 31 oktober 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan appellante is na heroverweging een vervoerskostenvergoeding toegekend van € 1.901,-- per jaar, zijnde het verschil tussen de kosten van een rolstoeltaxi en de kosten van een gewone taxi plus een toeslag in verband met extra wachttijden.

1.8. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 oktober 2008. Zij heeft onder meer beroepsgronden aangevoerd tegen de weigering om de meerkosten van aanschaf en aanpassing van een auto te verstrekken, tegen de gevolgde adviesprocedure en tegen de hoogte van de toegekende vergoeding. Voorts is een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel.

2. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 juli 2009 (08/4915) het beroep van appellante tegen het besluit van 31 oktober 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van haar uitspraak. Zij heeft daarbij overwogen dat uit de twee meest recente adviezen aan het College blijkt dat appellante gebruik kan maken van een individuele rolstoeltaxi en dat appellante geen contra-expertise heeft overgelegd waaruit het tegendeel kan worden afgeleid. Uit die adviezen blijkt echter ook dat appellante moet worden vervoerd in een adequate rolstoel voorzien van hoofdsteun en rompfixatie. Nu daarmee in het besluit van 31 oktober 2008 geen rekening is gehouden dient dit besluit te worden vernietigd. De rechtbank heeft het College opgedragen bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar voorts te betrekken dat appellante voor een persoonsgebonden budget in aanmerking wenst te komen en te bezien of een tillift nodig is. Voorts heeft zij overwogen dat vooralsnog niet is gebleken van een redelijke grond om de rolstoeltaxivergoeding vast te stellen op basis van een vergelijking van de kosten van de rolstoeltaxi met de kosten van het gebruik van een gewone taxi, in plaats van een vergelijking met de kosten van een gewone auto. De rechtbank heeft de tegen de gevolgde adviesprocedure gerichte beroepsgronden verworpen evenals het beroep op het vertrouwensbeginsel.

3. Gelet op de uitspraak van de Raad in het hoger beroep van appellante van 20 oktober 2010 (09/4471) ligt thans nog slechts ter beoordeling van de Raad de vraag voor of het College met het besluit op bezwaar van 21 oktober 2009 een juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 2 juli 2009 (08/4915). Het College heeft bij het besluit van 21 oktober 2009 de vergoeding voor individueel rolstoeltaxivervoer gehandhaafd op het bedrag op € 1.901,-- per jaar, waarbij een nadere toelichting is gegeven op de grondslag en de wijze van berekening daarvan. Voorts heeft het College aan appellante een persoonsgebonden budget toegekend van € 13.759,--, welk budget binnen een half jaar na uitbetaling dient te worden besteed aan de aanschaf van een elektrische rolstoel. Ten slotte is een persoonsgebonden budget toegekend van € 2.975,-- voor een plafondlift. Appellante heeft aangevoerd dat het College de vergoeding voor individueel rolstoeltaxivervoer opnieuw onjuist heeft berekend en dat het College bij toekennen van het persoonsgebonden budget voor een elektrische rolstoel ten onrechte heeft bepaald dat dit budget uitsluitend kan worden aangewend voor een elektrische rolstoel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 juli 2009 het volgende overwogen:

“2.3.8. De rechtbank constateert verder dat verweerder de meerkosten van de individuele rolstoeltaxi heeft vastgesteld ten opzichte van de kosten van taxivervoer en niet ten opzichte van de kosten van vervoer per eigen auto. Nu voor deze keuze noch in verweerders besluit, noch in verweerders Beleidregels een motivering is terug te vinden en verweerder desgevraagd ook ter zitting geen motivering voor deze keuze kon geven, ontbeert het bestreden besluit ook op dit punt een deugdelijke motivering en kan het niet in stand blijven. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat haar vooralsnog niet is gebleken van een redelijke grond voor een beleid om bij een bepaald norminkomen de hoogte van de vervoerskostenvergoeding voor een rolstoeltaxi te beperken tot de meerkosten van een rolstoeltaxi afgezet tegen het gebruik van een taxi in plaats van een personenauto.”

4.2. Het College heeft in het besluit van 21 oktober 2009 verwezen naar artikel 18 , onderdeel a, van de Beleidregels maatschappelijke ondersteuning 2007 (Beleidsregels). Deze bepaling luidt als volgt:

“Om in aanmerking te komen voor de vervoerskostenvergoeding (bepaalde vorm van een individuele vervoersvoorziening) dient aan de volgende criteria te worden voldaan: het inkomen moet lager zijn dan 1,5 maal het norminkomen. Is het inkomen hoger dan wordt de klant geacht de kosten van het vervoer zelf te kunnen dragen, tenzij er een indicatie is voor een individuele rolstoeltaxi. In dit geval worden de meerkosten van de individuele rolstoeltaxi ten opzichte van de kosten van eigen vervoer per auto of taxi wel vergoed.”

4.3. Het College heeft aangevoerd dat men bij een inkomen dat hoger is dan 1,5 maal het norminkomen, geacht wordt zelf de kosten van vervoer te kunnen dragen. Voor het gebruik van de rolstoeltaxi is op dit uitgangspunt een uitzondering gemaakt, voor zover het gaat om meerkosten. Voor het berekenen van de meerkosten zijn de kosten van eigen vervoer, die men geacht wordt zelf te kunnen dragen, vastgesteld op een forfaitair bedrag dat gelijk is aan de binnenregionale vervoerskostenvergoeding, zoals opgenomen in artikel 1 van het Financieel besluit wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Amstelveen. In 2008 is dit bedrag € 1.344,52 per kalenderjaar. Het is daarbij niet relevant welk vervoermiddel in de praktijk wordt gebruikt. Vervolgens wordt toegekend het verschil tussen dit forfaitaire bedrag van € 1.344,52 en de forfaitaire rolstoeltaxivergoeding van € 2.017,07 (2008). Bij het primaire besluit van 14 maart 2008 is dit verschil, zijnde een bedrag van € 672,55, aan appellante toegekend. Bij het besluit op bezwaar van 31 oktober 2008 is de vergoeding verhoogd tot een bedrag van € 1.901,--, waarbij is uitgegaan van individueel rolstoeltaxivervoer over 2000 km.

4.4. De Raad is van oordeel dat het College thans, anders dan ten tijde van de behandeling van het beroep bij de rechtbank, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de Beleidsregels inhouden dat de kosten van eigen vervoer die men geacht wordt zelf te kunnen dragen op een forfaitair bedrag van € 1.344,52 zijn vastgesteld en dat daarin niet is neergelegd dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de reële kosten van eigen vervoer en de reële kosten van taxivervoer. Mede gelet op de aan het College toekomende beleidsvrijheid acht de Raad dit geen onaanvaardbare gedragslijn.

4.5. De Raad stelt vervolgens vast dat het College zich reeds in het besluit van 31 oktober 2008 op het standpunt heeft gesteld dat er in het geval van appellante aanleiding is om niet uit te gaan van forfaitaire rolstoeltaxivergoeding, maar van de daadwerkelijke kosten van rolstoeltaxivervoer over 2000 kilometer. Daarbij is het College uitgegaan van 100 keer het starttarief van € 12,20 per rit (daarin inbegrepen de eerste twee kilometer), 1800 keer het kilometertarief van € 2,52 en 25 uur extra wachttijd (€ 825,--), in totaal € 6.581,--. De Raad stelt voorts vast dat het College, in zoverre in afwijking van hetgeen het College aan de Raad als uitleg van de Beleidsregels heeft gepresenteerd, op dit bedrag van € 6.581,-- niet het forfaitair bedrag van € 1.344,52 in mindering heeft gebracht, maar de kosten van regulier taxivervoer over 2000 kilometer, door het College begroot op € 4.680,--. De Raad is van oordeel dat het College reeds op grond van het rechtszekerheidsbeginsel gehouden is jegens appellante te handelen in overeenstemming met de Beleidsregels. Dit brengt mee dat indien op de op € 6.581,-- begrote kosten van rolstoeltaxivervoer het forfaitair bedrag van € 1.344,52 in mindering wordt gebracht voor het jaar 2008 een individuele rolstoeltaxivergoeding van € 5.236,48 resteert. Hiermee is gegeven dat het beroep van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2009 gegrond dient te worden verklaard. De Raad ziet in de toepasselijke regelgeving geen steun voor het standpunt van appellante dat de rolstoeltaxivergoeding voor de komende jaren vooruit betaald zou moeten worden.

4.6. Appellante heeft zich voorts gekeerd tegen de door het College aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarde, dat dit budget uitsluitend voor de aanschaf van een elektrische rolstoel mag worden aangewend. De Raad heeft het College met zijn brief van 29 november 2010 verzocht de gestelde voorwaarde te bezien in het licht van de uitspraak van de Raad van 28 oktober 2009, LJN BK2502. In deze uitspraak heeft de Raad in rechtsoverweging 5, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Wmo, overwogen dat niet valt in te zien dat de besteding van het persoonsgebonden budget uitsluitend dient te worden beperkt tot de concreet geïndiceerde voorziening. Ter toelichting op de in artikel 6 van de Wmo besloten liggende keuzevrijheid heeft de wetgever immers aangegeven dat een persoonsgebonden budget een geldbedrag betreft dat naar eigen keuze van de budgethouder te besteden is voor een vooraf bepaald doel of activiteit (Tweede Kamer 2004-2005, 30 131, nr. 3, p.32).

4.7. Het College heeft het persoonsgebonden budget voor de elektrische rolstoel -ongevraagd - aan appellante toegekend, teneinde haar in staat te stellen gebruik te maken van het invidueel rolstoeltaxivervoer. Dit naar aanleiding van het in de bezwaarfase gevraagde advies aan de arts Koning-van den Berg van Saparoea, verbonden aan Trompetter & Van Eeden. Uit het rapport van Trompetter & van Eeden van 27 juni 2008 blijkt dat de huidige rolstoel van appellante niet geschikt is voor veilig vervoer in een rolstoeltaxi. Appellante heeft aangegeven dat het College haar in 2005 een rolstoel heeft verstrekt, die volledig aan haar wensen tegemoetkomt en in haar eigen aangepaste auto veilig kan worden gebruikt. De door het College beoogde elektrische rolstoel is te groot voor gebruik in haar woning. Gelet hierop, en in het licht van de wetsgeschiedenis, vermag de Raad niet in te zien dat in het geval van appellante het persoonsgebonden budget niet zou mogen worden aangewend voor de door haar aangevraagde meerkosten van de aanschaf en de aanpassing van een rolstoelbus. Ook in zoverre is het beroep van appellante gegrond.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het besluit van 21 oktober 2009 dient te worden vernietigd wegens strijd met de wet.

5. De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 966,-- voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2009 gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 oktober 2009;

Draagt het College op binnen acht weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,--.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en M.I. ’ t-Hooft als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

RB