Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
10-1803 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning vergoeding van € 679,82 met toepassing van artikel 7:7, eerste lid, van de Regeling arbeidsvoorwaarden gemeente Roermond. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval aan de zorgplicht is voldaan. Daarbij is met name van belang dat het college gebruik heeft gemaakt van de diensten van een gekwalificeerde IBT-instructeur van de politie en niet is gebleken of aannemelijk geworden dat deze instructeur daarbij fouten heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1803 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 februari 2010, 09/1264 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: college),

Datum uitspraak: 21 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. B.E.G. Wiskerke en mr. C.A. Elfferich, beiden werkzaam bij OVO te Leidschendam, en M.J.M. van Blerk, werkzaam bij de gemeente Roermond.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam als toezichthouder, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, bij de afdeling Stadstoezicht van de gemeente [naam gemeente].

1.2. Op 27 november 2006 nam appellant uit hoofde van zijn functie verplicht deel aan een Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) in het politieopleidingscentrum te Helmond. Een onderdeel van de training bestond uit het afweren van door een collega uitgevoerde trap- en schopbewegingen met behulp van een daarvoor ter beschikking gesteld stootkussen. Bij dit trainingsonderdeel is de linker duim van appellant geraakt door de geschoeide voet van zijn collega. Nadien is vastgesteld dat de trap tot gevolg heeft gehad dat de kapselband aan de buitenzijde van die duim van het bot is afgescheurd, wat een operatie nodig maakte.

1.3. Bij brief van 29 november 2008 heeft appellant het college verzocht om vergoeding van de door hem als uitvloeisel van voormeld ongeval gemaakte en niet anderszins vergoede kosten.

Bij besluit van 27 maart 2009 heeft het college appellant hierop een vergoeding van € 679,82 toegekend met toepassing van artikel 7:7, eerste lid, van de Regeling arbeidsvoorwaarden gemeente Roermond. In dit lid is bepaald dat bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst aan de ambtenaar worden vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging. De door appellant tevens opgegeven kosten die geen betrekking hebben op geneeskundige behandeling of verzorging heeft het college niet vergoed. Bij het bestreden besluit van 14 juli 2009 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het college heeft het verzoek van appellant, voor zover hier nog in geding, getoetst aan de norm als vervat in de uitspraak van de Raad van 22 juni 2000, LJN AB007 en TAR 2000, 112. Deze norm houdt in dat de ambtenaar - voor zover dit niet al voortvloeit uit van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften - recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

Deze norm strekt er niet toe een absolute waarborg te scheppen. Daarom kan de enkele omstandigheid dat het ongeval zich heeft voorgedaan niet tot de conclusie leiden dat het college reeds daarom zijn zorgplicht heeft veronachtzaamd, zoals namens appellant is gesteld.

3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval aan de hiervoor bedoelde zorgplicht is voldaan. Daarbij is met name van belang dat het college gebruik heeft gemaakt van de diensten van een gekwalificeerde IBT-instructeur van de politie en niet is gebleken of aannemelijk geworden dat deze instructeur daarbij fouten heeft gemaakt. Het college heeft verder te kennen gegeven dat de wijze van vasthouden van het kussen is ontwikkeld binnen het politieonderwijs. Dit vasthouden gebeurt diagonaalsgewijze aan de achterzijde op de hoekpunten. Als het kussen op zichtbaar andere wijze wordt vastgehouden wordt de betrokkene door de instructeur gecorrigeerd. Een blessure is echter nooit helemaal uit te sluiten. De omstandigheid dat, naar namens appellant is uiteengezet, bij de (Koreaanse) vechtsport taekwondo andere regels worden gehanteerd dan bij de IBT-training bij de politie acht de Raad niet van wezenlijke betekenis, nu niet is gebleken dat de regels bij de politie niet aanvaardbaar zijn.

3.3. Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en H.C.P. Venema en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2011.

(get.) K. Zeilemaker

(get.) K. Moaddine

KM