Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
10-3437 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en/of voorzieningen op grond van de Wubo. Geen sprake van blijvende invalidering door de psychische klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3437 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 21 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de -voormalige- Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 mei 2010, kenmerk BZ 9406, JZ/I/70/2010. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2011, waar appellante niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank (Svb).

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in 1984 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en/of voorzieningen op grond van de Wubo. Hierop is door de toenmalige Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (RUBO) afwijzend beslist bij besluit van

5 augustus 1986. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. In april 2007 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend. Bij besluit van 8 februari 2008 is opnieuw afwijzend beslist. Erkend is dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, maar verweerder bleef van oordeel dat er bij appellante geen sprake is van blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit als gevolg van haar oorlogservaringen.

1.3. In juli 2009 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend, waarop bij besluit van 28 oktober 2009 afwijzend is beslist. Verweerder was van oordeel dat de hartklachten van appellante niet in verband staan met het meegemaakte oorlogsgeweld, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Ten aanzien van de ziekte van Ménière, de depressieve klachten, psychische klachten, darmklachten, diabetes en hypercholesterolemie is ditzelfde standpunt ingenomen. Bij het bestreden besluit is dit standpunt na bezwaar gehandhaafd.

2. Appellante heeft met name aangevoerd dat zij niet begrijpt dat haar tweelingzus, die exact dezelfde oorlogservaringen heeft en die heel erg op haar lijkt, wel een uitkering op grond van de Wubo heeft gekregen en zij niet. Appellante heeft verder naar voren gebracht dat zij meer last krijgt van haar vroegere ervaringen naarmate ze ouder wordt. Appellante handhaaft in beroep haar standpunt dat haar psychische klachten en darmklachten in causaal verband staan met haar oorlogservaringen.

3. Verweerder heeft naar voren gebracht dat de medische beoordeling individueel is en dat er in 2007 een gedegen onderzoek is gedaan om te bezien of de klachten van appellante een gevolg waren van haar internering in Malang. Dit bleek niet het geval. Ook was geen sprake van invalidering in de zin van de Wubo.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De psychische klachten zijn ten behoeve van de onder 1.2 en 1.3 genoemde besluiten reeds beoordeeld door de geneeskundig adviseurs van de RUBO en van verweerder. Ten behoeve van het eerste besluit werd geadviseerd dat het psycho-beeld van appellante meer situatief is bepaald door de stoornissen in de interrelatie dan door haar speciale oorlogservaringen. Appellante had deze aanvraag gebaseerd op het gedwongen werken voor de Japanse bezetter tijdens de oorlogsjaren en haar verblijf in een kamp te Malang tijdens de Bersiap-periode. Er was geen sprake van lichamelijk of psychisch letsel waardoor er een duidelijke, blijvende oorlogsinvaliditeit is ontstaan. Bij het besluit van

5 augustus 1986 is in het midden gelaten of sprake is geweest van een ongeregeldheid in de zin van artikel 2 van de Wubo en is geoordeeld dat appellante geen letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit.

4.2. Ten behoeve van het besluit van 8 februari 2008 is door de geneeskundig adviseur geconcludeerd dat de psychische klachten van appellante geen relatie laten zien met de internering in de Bersiap-tijd in De Wijk in Malang van oktober 1945 tot juni 1946, de geverifieerde calamiteit. Die klachten hangen volgens deze adviseur veel meer samen met angstige gebeurtenissen tijdens de Japanse bezetting en haar slechte huwelijk en echtscheiding later. In het besluit van 8 februari 2008 is slechts vermeld dat verweerder van oordeel blijft dat er bij appellante geen sprake is van blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit als gevolg van haar oorlogservaringen.

4.3. In beide eerdere besluiten is dus geen expliciet standpunt ingenomen met betrekking tot het causaal verband tussen de (in het kader van de Wubo relevante) oorlogservaringen van appellante en haar diverse klachten. Dit is pas gebeurd bij het besluit van 28 oktober 2009. Bij het bestreden besluit is dit causaal verband ten aanzien van de psychische klachten weer in het midden gelaten, zoals hierna onder 4.5 is weergegeven.

4.4. Met betrekking tot de darmklachten heeft de Raad in de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende objectieve medische aanknopingspunten gevonden om het standpunt van appellante dat deze zijn toe te schrijven aan haar oorlogservaringen te ondersteunen. Er is niet gebleken van een doorlopend klachtenpatroon na de oorlog dat is toe te schrijven aan de meegemaakte dysenterie. Dat bij de tweelingzuster van appellante de darmklachten wel in causaal verband zijn geacht met haar oorlogservaringen kan niet tot een ander oordeel leiden. Weliswaar komen de oorlogservaringen van beide zusters overeen, maar de beoordeling van de medische gevolgen daarvan is een individuele.

4.5. Met betrekking tot de psychische klachten overweegt de Raad dat in het bestreden besluit hieromtrent is overwogen:

“Ten aanzien van uw psychische klachten hebben wij overwogen dat er enkele symptomen van psychische aard zijn, maar deze bereiken niet het niveau van een psychiatrische diagnose. De vraag of de bestaande klachten te relateren zijn aan het oorlogsgeweld wordt hiermee niet relevant. Uw psychische klachten leiden in ieder geval niet tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.”

De Raad kan verweerder op grond van de gedingstukken volgen in het standpunt dat er bij appellante ten tijde hier in geding geen sprake was van blijvende invalidering door deze psychische klachten. Hierbij wordt wel overwogen dat, nu bij het bestreden besluit expliciet in het midden is gelaten of de psychische klachten zijn te relateren aan het oorlogsgeweld, bij een eventuele hernieuwde aanvraag wegens verergering van die klachten daarover alsnog een standpunt dient te worden bepaald.

5. Gezien het vorenstaande wordt het beroep van appellante ongegrond verklaard.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD