Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
09-4138 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellante beschikte over vermogen dat lag boven de toepasselijke vermogensgrens, zodat daarin een beletsel voor bijstandsverlening is gelegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4138 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2009, 08/4698 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P. Vandervoodt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2011. Appellante is, met bericht vooraf, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving gedurende de periode van 1 augustus 1983 tot 1 november 2006 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), eerst naar de norm voor een alleenstaande, vanaf 1 juli 1994 naar de norm voor gehuwden en met ingang van 13 mei 2000 naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van de melding dat appellante mogelijk niet woont op het door haar opgegeven adres en bezittingen heeft in de vorm van onroerend goed, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, is het Kadaster geraadpleegd en zijn appellante en [ex-echtgenote], met wie appellante van 12 juni 1984 tot en met 10 februari 1998 gehuwd is geweest, verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 maart 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om, voor zover hier van belang, bij drie afzonderlijke besluiten van 7 maart 2008 de algemene bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2006 en de aan appellante verleende bijzondere bijstand over de periode van 1 december 2004 tot en met 28 februari 2006 in te trekken, en de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 138.702,64 van appellante terug te vorderen.

1.3. Bij besluit van 26 september 2008 heeft het College de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 7 maart 2008 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante, zonder hiervan melding te hebben gemaakt, in de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2006 huurinkomsten heeft genoten van in totaal € 3.975,-- per maand en tevens beschikte over vermogen in de vorm van onroerend goed, waarvan de waarde is vastgesteld op in totaal € 1.068.148,30 en dat het vermogen gedurende de gehele periode de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen ruimschoots overschreed, zodat zij gedurende deze periode geen recht had op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 26 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad stelt vast dat enkel in geding is de periode van 1 juli 1997 tot 15 juni 2000. Het College stelt zich op het standpunt dat appellante gedurende de hier nog in geding zijnde periode beschikte over vermogen in de vorm van onroerend goed, waarvan zij geen melding heeft gemaakt bij het College. Het betreft de panden [adres 1] te [woonplaats] en [adres 2] en [adres 3] te [gemeente].

4.2. Appellante betwist dat zij ten aanzien van de onder 4.1 genoemde panden de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad kan appellante hierin niet volgen en overweegt daartoe als volgt.

4.2.1. Vast staat dat appellante gedurende de periode in geding niet heeft gemeld dat zij op 30 oktober 1995 voor 1% mede-eigenaar is geworden van het pand [adres 1] te [woonplaats]. De Raad is dan ook van oordeel dat appellante ten aanzien van deze mede-eigendom de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De stellingen van appellante dat het een zeer ondergeschikte vorm van mede-eigendom betreft en dat zij enkel voor 1% eigenaar is geworden om toekomstige kosten te kunnen ontlopen indien haar moeder, die voor 99% eigenaar is, zou komen te overlijden, kunnen haar niet baten.

4.2.2. Vast staat tevens dat het pand [adres 2] en [adres 3] vanaf 14 juni 1996 en gedurende de hele periode hier in geding op naam van appellante stond. De Raad is, anders dan appellante, van oordeel dat uit de gedingstukken niet kan worden opgemaakt dat appellante in de periode hier in geding aan het College mededeling heeft gedaan van het feit dat het pand op haar naam staat. De omstandigheid dat appellante begin juni 1996 aan het College de vraag heeft voorgelegd wat de consequenties zouden zijn indien haar moeder het pand op naam van appellante zou zetten, zodat het pand aan haar zou toebehoren wanneer de moeder zou komen te overlijden, doet aan het voorgaande niet af. Hieruit kan immers niet worden afgeleid dat het pand vanaf 14 juni 1996 ook daadwerkelijk op naam van appellante is gezet. Bovendien is de Raad met het College van oordeel dat appellante destijds een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven door aan te geven dat zij - indien de koop door zou gaan - het pand van haar moeder zou gaan huren en dat haar moeder daar ook zou komen te wonen. Ook door niet te reageren op de brief van het College van 26 juli 1996, waarin wordt gevraagd naar de stand van zaken, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

4.4. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is volgens vaste rechtspraak van de Raad de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd te worden met schulden waarvan aannemelijk is dat zij bestaan en waaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

4.6. Vast staat dat appellante op 14 juni 1996 eigenaar is geworden van het pand [adres 2] en [adres 3] te [gemeente] en dat dit pand is aangekocht voor een bedrag van f. 205.000,--.

4.7. Appellante stelt dat uit de stukken blijkt dat de koopsom van het pand [adres 2] en [adres 3] is betaald door haar moeder en dat zij derhalve een schuld heeft aan haar moeder. Appellante wijst in dit verband op een concept van de nota afrekening notaris en op de hypotheekakte. De Raad is van oordeel dat aan het concept van de nota afrekening notaris geen bewijskracht toekomt, omdat het enkel een concept betreft. De Raad is verder van oordeel dat uit de hypotheekakte weliswaar blijkt dat sprake is van een schuld, maar dat aan deze schuld geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Uit deze akte blijkt immers dat tussen appellante en haar moeder is overeengekomen dat over de hoofdsom, of over het restant daarvan, geen rente is verschuldigd en dat de eerste aflossing van f. 1000,-- zal worden voldaan op de eerste van de maand volgend op het tijdstip van eerste bewoning van de woning door appellante. Hiermee is de aflossing afhankelijk gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis. De Raad tekent daarbij aan dat feitelijk geen aflossingsverplichting is ontstaan, omdat appellante in de periode hier in geding het pand [adres 2] en [adres 3] niet heeft bewoond. Appellante heeft voorts verklaard dat zij geen aflossingsbedragen aan haar moeder heeft betaald.

4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellante gedurende de gehele hier in geding zijnde periode beschikte over vermogen dat lag boven de in die periode toepasselijke vermogensgrens, zodat daarin een beletsel voor bijstandsverlening is gelegen. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 15 juni 2000. Appellante heeft noch tegen de uitoefening van deze bevoegdheid noch tegen de terugvordering gronden aangevoerd, zodat deze buiten bespreking kunnen blijven.

4.9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.N.A. Bootsma en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

IJ