Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
10-1795 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Het geschrift van 22 maart 2011, bij de Raad ingekomen op 23 maart 2011, waarin verzoekster om vernietiging van de uitspraak van 21 december 2010 vraagt, zal als verzetschrift worden doorgestuurd aan de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1795 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 mei 2006, 05/295,

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzocht om herziening van bovenvermelde uitspraak van 23 mei 2006.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 mei 2011. Verzoekster is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Veer, werkzaam bij de gemeente Woerden.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.1. Bij besluit van 12 januari 2004 heeft het College op het bezwaar van verzoekster zijn afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuiskosten gehandhaafd.

2.2. Bij uitspraak van 14 december 2004, 04/534, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: rechtbank) het tegen het besluit van 12 januari 2004 ingesteld beroep ongegrond verklaard.

2.3. Bij de uitspraak van 23 mei 2006 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2004 bevestigd.

2.4. Bij uitspraak van 21 december 2010 heeft de rechtbank het verzoek van verzoekster om herziening van de uitspraak van 14 december 2004 met toepassing van artikel 8:54 van de Awb buiten zitting afgewezen.

3. In het onderhavige verzoek om herziening heeft verzoekster aangevoerd dat de uitspraak van de Raad tot stand gekomen is onder bevreemdende omstandigheden. Verzoekster heeft geen aanvraag om bijzondere bijstand gedaan, maar een aanvraag ingediend op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten. Haar toenmalige advocaten hebben alleen met de gemeente Woerden gecorrespondeerd. Zij noch verzoekster zijn betrokken geweest bij die zaken en ook niet aanwezig geweest bij de behandeling van het beroep en het hoger beroep ter zitting. Verzoekster heeft voorts gevraagd om vernietiging van de uitspraak van de rechtbank van 21 december 2010 op het verzoek om herziening.

4. De Raad overweegt hieromtrent het volgende.

4.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. De stelling dat het niet ging om een aanvraag om bijzondere bijstand kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Dit was verzoekster immers bekend voor de uitspraak van 23 mei 2006.

4.2. Uit de gedingstukken die ten grondslag liggen aan de uitspraak van 23 mei 2006 blijkt dat verzoekster zelf het hoger beroep aanhangig heeft gemaakt bij brief van 15 januari 2005, nadere brieven heeft gestuurd op 14 februari 2005, 25 maart 2005 en 22 juni 2005. Eveneens blijkt uit die gedingstukken dat verzoekster vervolgens mr. J.P. van Vulpen, advocaat te Haarlem, verzocht heeft haar bij te staan en dat mr. Van Vulpen met de Raad over de zaak heeft gecorrespondeerd en een kopie van een toevoeging voor de behandeling van de zaak heeft overgelegd. Ten slotte blijkt uit de gedingstukken dat de Raad bericht heeft ontvangen van mr. Van Vulpen dat hij noch verzoekster ter zitting zullen verschijnen. Verzoekster heeft ter zitting meegedeeld dat zij destijds telefonisch aan de Raad heeft meegedeeld dat zij noch haar gemachtigde ter zitting zullen verschijnen. Hieruit volgt dat, anders dan verzoekster stelt, zij en haar gemachtigde wel betrokken zijn geweest bij de zaak en dat de Raad hen de gelegenheid heeft gegeven om bij de behandeling van de zaak ter zitting aanwezig te zijn. Deze grond kan daarom, los van de vraag of dit tot herziening van de uitspraak van 23 mei 2006 had kunnen leiden, geen doel treffen.

4.3. Zoals ook in de zogenoemde rechtsmiddelenclausule bij de onder 2.4 genoemde uitspraak van de rechtbank is vermeld, staat tegen die uitspraak, gedaan buiten zitting, op grond van artikel 8:55 van de Awb verzet open. Tegen een uitspraak die gedaan is met toepassing van artikel 8:54 Awb staat, gelet op het bepaalde in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet, geen hoger beroep open. Gelet op het bepaalde in artikel 6:15 van de Awb zal het geschrift van 22 maart 2011, bij de Raad ingekomen op 23 maart 2011, waarin verzoekster om vernietiging van de uitspraak van 21 december 2010 vraagt, als verzetschrift worden doorgestuurd aan de rechtbank.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R.L.G. Boot.

KM