Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
10-3269 WWB + 11-3256 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij uit eigen beweging tijdig melding van de ZW-uitkering heeft gedaan. Daarbij is van belang dat verzoeker ook op de daarvoor bestemde inlichtingenformulieren geen opgave van de ZW-uitkering heeft gedaan, zodat verzoeker ook niet op die wijze aan de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft voldaan. Er is sprake van een fraudevordering, in welk geval de aflossingsverplichting wordt vastgesteld op 10% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3269 WWB

11/3256 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 mei 2010, 09/1610 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Tegelen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Namens verzoeker heeft mr. Verstraten nadien een verzoek om voorlopige voorziening gedaan, omdat verzoeker niet tegen de onzekerheid kan van het lange wachten op een eindbeslissing. Dit verzoek is ondersteund door een verklaring van de huisarts van verzoeker omtrent de psychische klachten van verzoeker.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H.R.M. Vaessen, werkzaam bij de gemeente Peel en Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. In deze uitspraak wordt onder College mede het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Kessel verstaan.

1.2. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en

artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.3. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoeker ontving met ingang van 29 augustus 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

2.2. Het College heeft bij besluit van 25 mei 2009 de bijstand van verzoeker over de periode van 29 augustus 2008 tot en met 7 december 2008 herzien. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker in deze periode naast de bijstand ook een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen en deze uitkering niet heeft opgegeven op de daarvoor bestemde informatieformulieren. Voorts heeft het College de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.157,52 (bruto) van verzoeker teruggevorderd.

2.3. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft het College verzoeker medegedeeld dat ter aflossing van de onder 2.2 vermelde vordering 10% van de voor verzoeker geldende bijstandsnorm op de bijstand wordt ingehouden met ingang van de eerstvolgende betaling van de bijstand.

2.4. Bij besluit van 1 oktober 2009 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 25 mei 2009 en 28 mei 2009 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

1 oktober 2009 ongegrond verklaard.

4. Verzoeker heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ter zitting van de voorzieningenrechter is gebleken dat de herziening van de bijstand over de periode van 29 augustus 2008 tot en met 7 december 2008 tussen partijen niet langer onderwerp van geschil is en evenmin de terugvordering van het netto bedrag van de over deze periode verstrekte bijstand. De voorzieningenrechter stelt vast dat het geschil in hoger beroep wat betreft de terugvordering is beperkt tot het bruto gedeelte van de gemaakte kosten van bijstand.

5.2. Ingevolge artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB kunnen loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, worden teruggevorderd, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.

5.3. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat daarvan uit, dat het College bevoegd was tot brutoterugvordering. Verzoeker is van mening dat het College geen gebruik mocht maken van de bevoegdheid tot brutoterugvordering omdat hij op 8 september 2008 telefonisch contact heeft opgenomen met zijn bijstandsconsulente en daarbij heeft aangegeven dat hij ziek was en een ZW-uitkering zou ontvangen, zodat hij heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Verder voert verzoeker aan dat het College na dit gesprek maanden heeft stilgezeten, zodat het College kan worden verweten dat het niet meer kon overgaan tot verrekening van belasting, premies en vergoeding als bedoeld in artikel 58, vierde lid, van de WWB.

5.4. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Evenals de rechtbank leidt de voorzieningenrechter uit een verslag van de betreffende bijstandsconsulente van het gesprek op 8 september 2008 af dat verzoeker tijdens dat gesprek slechts heeft gemeld dat hij ziek was en niet in staat was om naar een geplande afspraak te komen. Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij uit eigen beweging tijdig melding van de ZW-uitkering heeft gedaan. Daarbij is van belang dat verzoeker ook op de daarvoor bestemde inlichtingenformulieren geen opgave van de ZW-uitkering heeft gedaan, zodat verzoeker ook niet op die wijze aan de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft voldaan. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het College niet kan worden verweten dat het niet meer kon overgaan tot verrekening als bedoeld in artikel 58, vierde lid, van de WWB, zodat het College in overeenstemming met zijn beleid heeft gehandeld door over te gaan tot terugvordering van het bruto bedrag. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken. De stelling van verzoeker dat het College aan hem ook een verlaging van de bijstand heeft opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting, brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Anders dan de opgelegde verlaging heeft de hier aan de orde zijnde toepassing van artikel 58, vierde lid, van de WWB immers geen bestraffend, maar een reparatoir karakter.

5.5. Met betrekking tot de onder 2.3 vermelde aan verzoeker opgelegde aflossingsverplichting is verzoeker van mening dat niet een inhouding van 10% moet worden gehanteerd, maar van 6%, omdat het hier geen fraudevordering betreft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het College ook hier gehandeld in overeenstemming met zijn beleid. Uit hetgeen onder 5.4 is overwogen vloeit immers voort dat sprake is van een fraudevordering als bedoeld in het beleid, in welk geval de aflossingsverplichting wordt vastgesteld op 10% van de toepasselijke bijstandsnorm. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken.

5.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de

aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.7. Dat brengt mee dat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen grond is, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2011.

(get.) J.C.F. Talman

(get.) P.J.M. Crombach

ew