Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2754

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
09-6242 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6242 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 september 2009, 08/4568 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. van der Kooi, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. A.A. van Harmelen, kantoorgenoot van mr. Van der Kooi, heeft de Raad bericht de behandeling van de zaak te hebben overgenomen.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 juni 2011. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft in de perioden van 8 november 2006 tot en met 31 maart 2007 en van 1 juni 2007 tot en met 31 augustus 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.

1.2. Op basis van mededelingen van appellante, via het internet verzamelde gegevens en ontvangen informatie van de Belastingdienst is in de zomer van 2007 bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: DSZW) het vermoeden ontstaan dat appellante in het buitenland verblijft, dat zij een stichting op haar naam heeft staan en dat zij beschikt over een verzwegen bankrekening. Na overdracht van het dossier heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de DSZW een onderzoek ingesteld. Op 19 september 2007 heeft appellante tijdens een onderhoud met medewerkers van deze afdeling informatie verstrekt over onder meer haar verblijf in het buitenland, haar bankrekeningen, de stichting MUSTT, de violen waarover zij beschikt en de waarde daarvan alsmede over het bezit van een auto. Bij brief van 27 september 2007 heeft de DSZW appellante verzocht om binnen 14 dagen na dagtekening een schriftelijke verklaring over het bezit van een auto met Belgisch kenteken, merk Jaguar XJS, alsmede afschriften van de verzwegen bankrekening en een kopie van de polis inzake haar violen in te leveren. Appellante heeft niet binnen de gestelde termijn de betreffende verklaring en documenten ingeleverd.

1.3. Bij besluit van 7 november 2007 heeft het College de bijstand van appellante over de in 1.1 genoemde perioden herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen of onvoldoende inlichtingen te verstrekken over autobezit, de verzwegen bankrekening en de waarde van haar violen, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij dat besluit zijn tevens de gemaakte kosten van bijstand over die perioden tot een bedrag van € 6.576,16 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 mei 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante betwist ook in hoger beroep dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Naar de mening van appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de beschikbare onderzoeksgegevens een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat zij een bankrekening heeft verzwegen en dat zij onduidelijk is geweest over haar autobezit en de waarde van haar kostbare violen. Tevens heeft appellante aangevoerd dat zij door de betreffende medewerker van de DSZW uiterst onheus is behandeld, hetgeen tot ernstige schade aan haar gezondheid heeft geleid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft bij de aanvraag om bijstand uitsluitend melding gemaakt van haar rekening bij de SNS bank met [banknummer]. Op 19 september 2007 heeft appellante verklaard dat zij naast de bankrekening waarop de bijstand wordt gestort beschikt over een rekening bij Van Lanschot Bankiers en dat zij deze rekening heeft leeggehaald om in haar levensonderhoud te voorzien. Niet in geschil is dat appellante in de in geding zijnde perioden geen opgave heeft gedaan van een bankrekening bij Van Lanschot Bankiers. Evenmin heeft appellante destijds opgave gedaan van de op haar naam staande internetspaarrekening bij de SNS bank met [banknummmer]. Aangezien appellante ten tijde in geding geen opgave heeft gedaan van deze bankrekeningen, gegevens die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening of voortzetting van de bijstand, heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 11 augustus 2009, LJN BJ5194, levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Indien de belanghebbende aanvoert dat er wel recht op bijstand bestaat, dient hij aannemelijk te maken dat, indien de inlichtingenverplichting wel naar behoren zou zijn nagekomen, over de betrokken periode (aanvullende) bijstand zou zijn verleend.

4.3. De Raad stelt vast dat appellante in de bezwaarschriftprocedure twee afschriften van een bankrekening van de stichting MUSTT bij Van Lanschot Bankiers van 19 juli 2006 en 15 maart 2007 en een verklaring van deze bank dat de rekening in 2007 is opgeheven heeft overgelegd. Daargelaten dat niet duidelijk is of dit de bewuste bankrekening is waarover appellante op 19 september 2007 een verklaring heeft afgelegd, kan uit de overgelegde afschriften niet worden afgeleid of appellante van die rekening gelden heeft opgenomen om in haar levensonderhoud te voorzien. Appellante heeft niet, zoals gevraagd, aan de hand van bankafschriften duidelijkheid verstrekt over de saldi en de mutaties op haar rekening bij Van Lanschot Bankiers. Evenmin heeft appellante inzicht gegeven in het verloop van de saldi op haar internetspaarrekening bij de SNS bank.

4.4. Reeds op grond van de onvolledige informatie over de verzwegen bankrekeningen heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellante over de in 1.1 genoemde perioden niet kan worden vastgesteld. Het College was op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB derhalve bevoegd de bijstand van appellante over deze perioden in te trekken. In de omstandigheid dat appellante zich uiterst gegriefd voelt over de opstelling van de behandelend medewerker van de DSZW en dat, zoals appellante stelt, door deze opstelling haar gezondheid ernstig en blijvend schade heeft ondervonden ziet de Raad onvoldoende grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

HD