Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
10-6662 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen ontheffing (meer) van arbeidsverplichtingen. Er is geen grond voor het oordeel dat de advisering door de GGD onzorgvuldig of onjuist is geweest, zodat het Dagelijks Bestuur dit advies aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. (De) nadere brief van een adviseur van het bestuursorgaan (bevat) als zodanig geen nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Er waren geen dringende redenen, gelegen in de medische en psychische situatie van appellant, (...) op grond waarvan het Dagelijks Bestuur aan appellant ontheffing van de arbeidsverplichtingen had kunnen verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6662 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 november 2010, 09/1286 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 19 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2011. Voor appellanten is mr. Nadaud verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door M.T.P.P. Gijssens, werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van 1 februari 2001 tot 15 juni 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van 15 juni 2007 ontvangen appellant en zijn echtgenote bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2. In 2002 heeft de GGD onderzoek verricht naar de arbeidsgeschiktheid van appellant. In de rapportage van 6 mei 2002 heeft de GGD geconcludeerd dat appellant arbeidsgeschikt is met beperkingen inzake de maximale tillast en repeterende bovenhandse bewegingen en dat intensieve begeleiding naar de arbeidsmarkt noodzakelijk is vanwege uitgebreide psychosociale problematiek.

1.3. In 2004 heeft Argonaut appellant medisch onderzocht in het kader van de vaststelling van de arbeidshandicap ingevolge de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. In de rapportage van 18 oktober 2004 heeft Argonaut geconcludeerd dat er sprake is van ziekte of gebreken die leiden tot structurele functionele beperkingen van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard. Argonaut heeft daarbij de verwachting uitgesproken dat de belastbaarheid op termijn zal toenemen en geadviseerd appellant over drie maanden te herkeuren.

1.4. In 2008 heeft de GGD opnieuw onderzoek verricht naar de arbeidsgeschiktheid van appellant. Uit de rapportage van 5 november 2008 blijkt dat de GGD-arts appellant op 1 oktober 2008 heeft onderzocht en op 23 oktober 2008 informatie van de huisarts heeft ontvangen. Deze informatie van de huisarts is in de rapportage weergegeven. De GGD-arts constateert in de rapportage dat er geen medische reden is om tot een andere conclusie te komen dan in de rapportage van 6 mei 2002. Appellant wordt arbeidsgeschikt geacht. Wel dient hij intensief naar de arbeidsmarkt begeleid te worden en zou hij eerst aan een sociaal activeringstraject kunnen deelnemen. Naar aanleiding van deze rapportage hebben appellant en zijn echtgenote op 5 januari 2009 een gesprek gehad met hun klantmanager D. Koppen.

1.5. Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het Dagelijks Bestuur de echtgenote van appellant vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB en zijn op appellant, na een eerdere ontheffing op grond van het tweede lid, de arbeidsverplichtingen onverkort van toepassing verklaard.

1.6. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de in het besluit van 9 februari 2009 vervatte weigering hem opnieuw van de arbeidsverplichtingen te ontheffen. Naar aanleiding van dit bezwaar en de door appellant overgelegde stukken, waaronder de brieven van de huisarts van 18 februari 2008 en 24 maart 2009, heeft het Dagelijks Bestuur de GGD om een reactie gevraagd. Bij brief van 20 mei 2009 heeft de GGD geconcludeerd dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en er geen reden is de eerdere conclusie te wijzigen.

1.7. Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 juni 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Het besluit van 23 juni 2009 is onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd, omdat het Dagelijks Bestuur, gelet op de medische rapportage van Argonaut uit 2004 en de rapporten van de GGD uit 2002 en 2008, nader had moeten onderbouwen waarom appellant ten tijde van de besluitvorming arbeidsgeschikt werd geacht en op welke wijze begeleiding zal worden gegeven. Voorts is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, van een deugdelijke advisering door de GGD geen sprake, nu uit het advies van de GGD van 5 november 2008 niet blijkt welke informatie van de huisarts is ontvangen. Ook heeft de rechtbank ten onrechte het beroep op artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verworpen. Aangezien het besluit van 23 juni 2009 mede is gebaseerd op de brief van de GGD van 20 mei 2009, had appellant daarover moeten worden gehoord. Anders dan de GGD in die brief stelt, kan ook de afwijking op de longfoto’s relevant zijn, als die afwijking reeds vóór de rapportage van 5 november 2008 aanwezig was. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat hij heeft nagelaten de door hem gestelde beperkingen door middel van een verklaring van een arts of anderszins te onderbouwen, omdat het voor hem moeilijk is zijn beperkingen nader te onderbouwen wanneer hij geen inzicht heeft in de brieven die zijn huisarts aan de GGD heeft verzonden. Het Dagelijks Bestuur had hem op grond van medische en psychische gronden moeten ontheffen van de arbeidsverplichtingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In vaste rechtspraak is de Raad van oordeel dat een bestuursorgaan, indien voor het vaststellen van feiten mede gebruik moet worden gemaakt van deskundigheid waarover het niet zelf beschikt, een ter zake deskundige inschakelt om zich van advies te laten dienen. Het ligt dan echter op de weg van het bestuursorgaan dat van zodanige adviezen gebruik maakt, zich ervan te vergewissen dat die adviezen voldoen aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een deugdelijke advisering die het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt daarop af te gaan slechts sprake zijn, indien uit die adviezen ten minste blijkt op basis van welke gegevens deze tot stand zijn gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen van die adviezen is gevolgd.

4.2. De Raad stelt vast dat het Dagelijks Bestuur bij zijn besluitvorming is uitgegaan van de rapportage van de GGD van 5 november 2008. Deze rapportage is gebaseerd op eigen onderzoek door de GGD-arts en informatie van de huisarts en bevat onder ‘Informatie extern’ een samenvatting van de informatie van de huisarts. De stelling van appellant dat uit de rapportage van de GGD niet blijkt welke informatie van de huisarts is ontvangen, deelt de Raad dan ook niet. Dat de GGD de brief van de huisarts om redenen van privacy niet aan het Dagelijks Bestuur heeft verstrekt, maakt de advisering op zich niet ondeugdelijk. Overigens had appellant zelf stappen kunnen ondernemen een afschrift van deze brief van zijn huisarts te verkrijgen, nu hij kennelijk van opvatting is dat kennisneming van die brief van belang is. De Raad komt met de rechtbank tot de conclusie dat er geen grond is voor het oordeel dat de advisering door de GGD onzorgvuldig of onjuist is geweest, zodat het Dagelijks Bestuur dit advies aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Appellant heeft, ook in hoger beroep, geen stukken overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Voor zover appellant van opvatting is dat de rapportage van Argonaut van 18 oktober 2004 noopt tot een nadere onderbouwing van het besluit van 23 juni 2009, deelt de Raad die opvatting niet. De rapportage van Argonaut was ten tijde van de rapportage van 5 november 2008 immers al vier jaar oud, terwijl Argonaut destijds bovendien verwachtte dat de belastbaarheid op termijn zou toenemen en voorstelde om appellant na drie maanden te herkeuren. Het enkele feit dat in het besluit van 23 juni 2009 niet is vermeld op welke wijze de door de GGD voorgestelde intensieve begeleiding naar de arbeidsmarkt gestalte moet krijgen, brengt evenmin mee dat dit besluit in rechte geen stand kan houden. De wijze van begeleiding naar de arbeidsmarkt is een aspect dat doorgaans eerst aan de orde zal komen als een concreet traject wordt vastgesteld.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het beroep van appellant op artikel 7:9 van de Awb niet slaagt. De brief van de GGD van 20 mei 2009 bevat een door het Dagelijks Bestuur gevraagde reactie op het bezwaar van appellant en de door appellant overgelegde stukken. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 4 april 2003, LJN AF7499) vormt een dergelijke nadere brief van een adviseur van het bestuursorgaan als zodanig geen nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Maar ook overigens bevat deze brief, waarin de juistheid van het advies van 5 november 2008 wordt bevestigd, geen nieuwe feiten of omstandigheden die voor de te nemen beslissing op het bezwaar van aanmerkelijk belang kunnen zijn.

4.4. Het voorgaande brengt tevens mee dat er ten tijde van belang geen dringende redenen, gelegen in de medische en psychische situatie van appellant, waren als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB op grond waarvan het Dagelijks Bestuur aan appellant ontheffing van de arbeidsverplichtingen had kunnen verlenen.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is, uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B. Bekkers.

HD