Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2738

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
09-2540 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag algemene bijstand op grond van de WWB. De Raad is van oordeel dat het College bij de vermogensvaststelling op goede gronden ervan is uitgegaan dat de waarde van de woning in aanmerking moet worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2540 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2009, 08/4875 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Vlieger. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 12 september 2008 is de aanvraag van appellant van 17 maart 2008 om algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen op de grond dat appellant over een te hoog eigen vermogen beschikt.

1.2. Bij besluit van 11 november 2008 heeft het College het tegen het besluit van 12 september 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant beschikt over een vermogen boven de voor hem op dat moment geldende vermogensgrens van € 5.325,--, zodat geen recht op bijstand bestaat. Bij de vaststelling van het vermogen van appellant is rekening gehouden met de in het besluit genoemde schulden, banktegoeden en afkoopwaarde van een lijfrentepolis en met de waarde van een woning en bijbehorende grond, gelegen aan de [straatnaam] te [plaatsnaam], Suriname (hierna: de woning). De waarde van de woning is door het College, op basis van een door een beëdigd taxateur op 17 juli 2008 opgemaakt taxatierapport, vastgesteld op € 8.257,65.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, gesteld dat bij de vaststelling van zijn vermogen ten onrechte rekening is gehouden met de waarde van de woning. Daartoe is aangevoerd dat de woning hem slechts voor de helft toebehoort. Volgens appellant is de woning voor de andere helft van zijn voormalige echtgenote, met wie hij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd is geweest. Appellant stelt dat het voor hem niet mogelijk is om de woning te verkopen, omdat zijn voormalige echtgenote dat niet wil. Daardoor kan hij de waarde van de woning niet gebruiken om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft appellant in hoger beroep nadere stukken overgelegd, te weten een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 september 1999, waarbij de echtscheiding tussen appellant en zijn - in Nederland wonende - voormalige echtgenote is uitgesproken en een verklaring van zijn voormalige echtgenote van 14 juli 2009.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of de woning als bezitting kan worden aangemerkt waarvan de waarde tot het vermogen van appellant kan worden gerekend, als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Ingevolge dit artikellid is dat het geval indien appellant over deze woning beschikt, dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Naar vaste rechtspraak moet de term beschikken zo worden uitgelegd dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk aan te wenden voor de noodzakelijke kosten van het bestaan.

4.2. De Raad stelt vast dat in de op 6 juli 1987 opgemaakte koopakte van de woning, waarvan een kopie zich onder de stukken bevindt, alleen appellant als koper van de woning is vermeld. Dit rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning een bestanddeel vormt van het vermogen waarover appellant (redelijkerwijs) kan beschikken. In deze situatie is het aan appellant om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.3. De Raad is van oordeel dat appellant ook met de door hem in hoger beroep ingebrachte stukken, die onder 3 zijn vermeld, niet in zijn bewijslast is geslaagd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de woning voor de helft aan zijn voormalige echtgenote toebehoort. In de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 september 1999 is niet vermeld wie van de voormalige echtelieden de eigendom en/of het gebruik van de woning heeft. De verklaring van de voormalige echtgenote van 14 juli 2009 houdt niet meer in dat zij de woning om emotionele redenen niet wenst te verkopen. Dat de woning niet in de boedelverdeling is betrokken, omdat deze te zijner tijd is bestemd voor de kinderen, zoals ter zitting van de Raad namens appellant is verklaard, doet aan de mogelijkheid voor appellant om de woning te gelde te maken niet af. De Raad is dan ook van oordeel dat het College bij de vermogensvaststelling op goede gronden ervan is uitgegaan dat de waarde van de woning in aanmerking moet worden genomen.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en W.F. Claessens en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. van Dam.

HD