Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2737

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
09-3341 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstand. Bezwaar is onredelijk laat ingediend. De Raad kan en zal in het midden laten of appellant op 30 juni 2006 inderdaad een aanvraag om bijstand bij het College heeft ingediend. Ook indien veronderstellenderwijs daarvan wordt uitgegaan, kan niet worden geoordeeld dat voor appellant in oktober 2008 nog bezwaar openstond tegen het uitblijven van een beslissing op die aanvraag. Daartoe overweegt de Raad dat appellant na de gestelde aanvraag meer dan 27 maanden heeft laten verstrijken. Ook na de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2007 heeft appellant nog 17 maanden gewacht met het maken van bezwaar. Instandlating rechtsgevolgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3341 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2009, 08/4806 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen, voor zover hier van belang:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Karkache. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Bochove, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij brief van 1 september 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag om bijstand van 19 mei 2006. Het College heeft dat bezwaar bij besluit van 14 december 2006 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de gestelde aanvraag van 19 mei 2006 niet is ontvangen. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 4 mei 2007, 07/295, het tegen dat besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald.

1.2. Appellant heeft bij brief van 7 oktober 2008 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag om bijstand die hij stelt bij brief van 30 juni 2006 te hebben gedaan. Het College heeft bij besluit van 30 oktober 2008 dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar afgewezen. Daartoe is overwogen dat opnieuw bezwaar wordt gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag om bijstand van 30 juni 2006, dat daarop reeds bij rechtens vaststaand besluit van 14 december 2006 is beslist en dat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 30 oktober 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk is verklaard en dat bezwaar ongegrond verklaard, met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de brief van 30 juni 2006 door het College terecht en op juiste gronden is aangemerkt als een verzoek om terug te komen van de eerder op 14 december 2006 genomen beslissing. Nu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden had het College volgens de rechtbank het bezwaar ongegrond moeten verklaren in plaats van niet-ontvankelijk.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat de brief van 30 juni 2006, gelet op het tijdsverloop, niet kan worden aangemerkt als een verzoek tot heroverweging van het nadien genomen besluit van 14 december 2006. Bovendien berust het oordeel van de rechtbank dat het College de brief van 30 juni 2006 als een dergelijk verzoek zou hebben opgevat, op een onjuiste lezing van het besluit van 30 oktober 2008. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepalingen over de proceskosten en het griffierecht, wegens een ondeugdelijke motivering dient te worden vernietigd. De subsidiair aangevoerde gronden behoeven daarom geen bespreking meer.

4.2. Omtrent de beroepsgronden tegen het besluit van 30 oktober 2008 overweegt de Raad het volgende. Het College is er in dat besluit ten onrechte van uitgegaan dat het in rechte vaststaande besluit van 14 december 2006 tevens een beslissing inhoudt op de aanvraag die appellant stelt op 30 juni 2006 te hebben gedaan. Bij het besluit van 14 december 2006 is, zoals appellant terecht stelt, alleen het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de gestelde aanvraag van 19 mei 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het besluit van 30 oktober 2008 niet deugdelijk is gemotiveerd, en om die reden wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.

4.3. De Raad ziet voorts aanleiding na te gaan of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

4.3.1. In artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is bepaald, voor zover hier van belang, dat, indien het bezwaar is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, het niet aan een termijn is gebonden. Ingevolge het derde lid van deze bepaling, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard indien het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend.

4.3.2. De Raad kan en zal in het midden laten of appellant op 30 juni 2006 inderdaad een aanvraag om bijstand bij het College heeft ingediend. Ook indien veronderstellenderwijs daarvan wordt uitgegaan, kan niet worden geoordeeld dat voor appellant in oktober 2008 nog bezwaar openstond tegen het uitblijven van een beslissing op die aanvraag. Daartoe overweegt de Raad dat appellant na de gestelde aanvraag meer dan 27 maanden heeft laten verstrijken. Ook na de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2007 heeft appellant nog 17 maanden gewacht met het maken van bezwaar. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant hiervoor geen redegevende verklaring kunnen geven.

4.3.3. De Raad is dan ook van oordeel dat het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend in de zin van artikel 6:12, derde lid, van de Awb. Gelet hierop zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 30 oktober 2008 in stand blijven. Hieruit volgt tevens dat het College het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar terecht heeft afgewezen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepalingen die zijn gegeven over de proceskosten en het griffierecht;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 30 oktober 2008;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 30 oktober 2008 in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep ten bedrage van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.J.M. Heijs en J.M.A van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD