Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
09-6964 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen ontheffing (meer) van de arbeidsverplichtingen. Het College heeft zich bij zijn besluitvorming mogen baseren op het rapport (...) van de verzekeringsarts. Dat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden doet aan het vorenstaande niet af, nu niet is gebleken dat appellant om een dergelijk onderzoek heeft gevraagd en anderszins niet gebleken is van de noodzaak van een dergelijk onderzoek. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die reden geven tot twijfel aan het uitgebrachte rapport of dat zijn gezondheidstoestand na het onderzoek door de verzekeringsarts is verslechterd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6964 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 november 2009, 08/1151 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 juni 2011 waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 1983 met enige korte onderbrekingen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 19 september 2006 is appellant in afwachting van de uitslag van een belastbaarheidsonderzoek ontheven van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB vervatte verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Op 22 september 2006 is appellant onderzocht door verzekeringsarts H. Engelen van Medisch Adviesbureau Amanu (hierna: verzekeringsarts). In de door de verzekeringsarts opgestelde rapportage medisch onderzoek WWB van 22 september 2006 wordt de conclusie getrokken dat appellant voor 26 uur per week arbeidsgeschikt is voor arbeid die met zijn beperkingen rekening houdt, dat wil zeggen geen stresserend werk, geen werk met deadlines en productiepieken, rustige omgeving zonder veel lawaai en werk met behoud van autonomie. Vanaf 15 februari 2007 ontving appellant geen bijstand meer omdat hij in het kader van een WWB-traject bij WNK-bedrijven was aangemeld voor werk en loon ontving. Nadat appellant met ingang van 26 oktober 2007 was ontslagen, is hem bij besluit van 28 december 2007 met ingang van 26 oktober 2007 weer bijstand toegekend. Daarbij zijn hem tevens de in artikel 9 van de WWB opgenomen arbeidsverplichtingen opgelegd.

1.2. Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 december 2007, voor zover aan hem daarbij door het College geen ontheffing van de arbeidsverplichtingen is verleend, ongegrond verklaard. Met dien verstande dat laatstgenoemd besluit is aangevuld met de in de rapportage medisch onderzoek WWB van 22 september 2006 opgenomen urenbeperking en met de daarin opgenomen voorwaarde waaraan arbeid voor appellant dient te voldoen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

26 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB is de bijstandsgerechtigde jonger dan 65 jaar verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden (...);

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Artikel 9, tweede lid, van de WWB bepaalt dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

4.2. Evenals de rechtbank begrijpt de Raad de beslissing van het College om aan appellant de in artikel 9, eerste lid, van de WWB vervatte verplichtingen op te leggen aldus, dat het College geacht wordt te hebben geweigerd om op grond van dringende redenen de in artikel 9, tweede lid, van de WWB bedoelde algehele ontheffing van die verplichtingen te verlenen.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College zich bij zijn besluitvorming heeft mogen baseren op het rapport van 22 september 2006 van de verzekeringsarts. Niet is gebleken dat dit rapport wat de wijze van totstandkoming of wat de inhoud ervan betreft niet deugdelijk zou zijn. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat in dit rapport aandacht is geschonken aan de door appellant gestelde klachten en dat telefonisch overleg is gepleegd met de huisarts. Dat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden doet aan het vorenstaande niet af, nu niet is gebleken dat appellant om een dergelijk onderzoek heeft gevraagd en anderszins niet gebleken is van de noodzaak van een dergelijk onderzoek. Voorts merkt de Raad op dat appellant geen medische informatie heeft ingebracht die reden geven tot twijfel aan het uitgebrachte rapport of dat zijn gezondheidstoestand na het onderzoek door de verzekeringsarts is verslechterd. Aan de brief van A.C. Jansen (hierna: Jansen) antroposofisch arts voor gezondheid en re-integratie van 24 juni 2008 die appellant in beroep heeft overgelegd kent de Raad niet die betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien, nu het standpunt van Jansen op geen enkele wijze is onderbouwd. De grond dat appellant geen arbeidsmarktperspectief heeft treft geen doel nu het niet hebben van een arbeidsmarktperspectief geen rol speelt bij de vraag of al dan niet ontheffing moet worden verleend van de arbeidsverplichtingen. Ook de omstandigheid dat appellant, zoals hij stelt, feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht bij WNK-bedrijven doet in dit verband niet ter zake.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van dringende redenen om appellant volledig ontheffing te verlenen van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB bedoelde verplichtingen.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

HD