Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2502

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
06-5795 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de onrechtmatigheid van het bestreden besluit erkend. Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de ten onrechte niet genoten uitkering op grond van artikel 8:73 van de Awb komt daarom voor toewijzing in aanmerking. Heropening onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5795 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 augustus 2006, 05/725 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R. van der Veen, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 30 juli 2008 heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brieven van 19 januari 2009 en 4 juni 2009 heeft de Raad het Uwv enkele vragen voorgelegd. Bij brieven van 18 mei 2009 en 2 juli 2009, met bijlagen, heeft het Uwv deze vragen beantwoord.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 26 augustus 2009 heeft de Raad besloten het onderzoek wederom te heropenen.

Op verzoek van de Raad is appellante onderzocht door neuroloog E.R.P. Brunt, verbonden aan Medity Medische Diensten te Groningen, die op 2 februari 2010 rapport heeft uitgebracht.

Vervolgens is appellante op verzoek van de Raad onderzocht door internist-oncoloog M.B. Polee, verbonden aan het Medisch Centrum Leeuwarden, die op 6 september 2010 rapport heeft uitgebracht. Op dit rapport heeft bezwaarverzekeringsarts P.A.M. van Zelst gereageerd, waarna Polee desgevraagd de Raad nog bij brief van 8 december 2010 een reactie heeft doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 16 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

Na een tussenuitspraak van de Raad van 30 maart 2011, LJN BQ0238, heeft het Uwv op 28 april 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Desgevraagd heeft mr. Van der Veen bericht dat appellante zich volledig kan verenigen met het nieuwe besluit van 28 april 2011.

De meervoudige kamer van de Raad heeft besloten de zaak te verwijzen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 30 maart 2011 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

2.1. De Raad stelt vast dat het Uwv met het besluit van 28 april 2011 materieel bezien geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Immers, de intrekking van de uitkering van appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) per de datum in geding, 4 mei 2005, is ongedaan gemaakt en de Wajong-uitkering blijft vanaf 4 mei 2005 onveranderd gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het in de beslissing op bezwaar van 23 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) neergelegde standpunt wordt niet langer gehandhaafd en hiermee heeft het Uwv de onrechtmatigheid van dit besluit erkend. In een dergelijk geval is het belang bij een beoordeling in hoger beroep in beginsel komen te vervallen, tenzij van een dergelijk belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu door appellante een zodanig verzoek is gedaan, bestaande uit vergoeding van de wettelijke rente vanwege te laat betaalde uitkeringen en schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn, heeft zij in dit geval belang behouden bij een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, zodat de Raad daartoe zal overgaan.

2.2. Nu met het besluit van 28 april 2011 aan het beroep geheel is tegemoetgekomen, wordt het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb niet mede gericht geacht tegen dat besluit. Het besluit van 28 april 2011 wordt mitsdien niet in het hoger beroep meegenomen.

2.3. Het Uwv heeft de onrechtmatigheid van het bestreden besluit erkend. Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de ten onrechte niet genoten uitkering op grond van artikel 8:73 van de Awb komt daarom voor toewijzing in aanmerking. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante toekomende wettelijke rente over de na te betalen uitkering, dient te berekenen, verwijst de Raad naar artikel 4:102 van de Awb en zijn uitspraak van 1 november 1995,

LJN ZB1495.

2.4.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het EHRM naar voren komt.

2.4.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Daarin heeft de Raad onder meer overwogen dat in een procedure in drie instanties in socialezekerheidszaken het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 2.4.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.4.3. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 30 maart 2005 tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en bijna drie maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv iets minder dan twee maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 16 juni 2005 één jaar en ruim twee maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf het ontvangst van het hoger beroepschrift op 5 oktober 2006 tot deze uitspraak vier jaar en ruim negen maanden geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden in de rechterlijke fase.

2.4.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van Awb, moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

3. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden in beroep begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 38,50 voor reiskosten en in hoger beroep op € 644,- voor verleende rechtsbijstand, € 40,80 voor reiskosten en € 1.041,25 voor de kosten van de door appellante geraadpleegde deskundige. In totaal een bedrag van € 2.408,55.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als onder 2.3 is vermeld;

Veroordeelt het Uwv in de door appellante in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 2.408,55;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek onder nummer 11/4047 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

EV