Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
09-5172 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Doelgroep no-risk-polis. Het feit dat aan de werknemer op 2 november 2007 een voorziening is toegekend met toepassing van artikel 35 van de Wet WIA kan niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden dat haar werknemer als werknemer in de zin van artikel 29b van de ZW wordt aangemerkt. Evenmin kan dit op basis van het door appellante ter zitting van de Raad gedane beroep op de Regeling indicatiestelling no-riskpolis en premiekorting UWV (Stcrt. 2005, 249). Deze Regeling is gebaseerd op de leden negen en tien van artikel 29b van de ZW, welke bepalingen zien op de nadere uitwerking van het tweede lid van dit artikel 29b. In de aangevallen uitspraak is terecht overwogen dat de werknemer van appellante niet behoort tot de in artikel 29b, tweede lid, van de ZW bedoelde werknemers.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 29b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5172 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[vestigingsplaats]ante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juli 2009, 08/4283 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft L.J.C.M. Haest, werkzaam bij H&P Adviesbureau te Zundert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxberichten van 11 mei 2011 en 23 mei 2011heeft de gemachtigde Haest de gronden van het hoger beroep nader toegelicht en nieuwe stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde Haest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 29 april 2008 is aan de werknemer van appellante [naam werknemer] (hierna: werknemer) per 3 april 2008 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd, omdat hij niet als arbeidsgehandicapt als bedoeld in artikel 29b van de ZW kan worden aangemerkt bij het indiensttreden bij appellante. Bij besluit op bezwaar van 7 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 29 april 2008 gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat aan de werknemer bij besluit van 2 november 2007 een voorziening ingevolge artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is toegekend in de vorm van een vergoeding voor orthopedische schoenen. Voorts is vastgesteld dat appellante per 1 april 2008 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de werknemer heeft gesloten en dat de werknemer zich op 3 april 2008 ziek heeft gemeld. De rechtbank is met partijen van oordeel dat werknemers aan wie een voorziening is toegekend in de zin van artikel 35 van de Wet WIA niet expliciet zijn genoemd in artikel 29b van de ZW. De wetgever heeft met het vervallen van de Wet REA en de invoering van de Wet WIA er bewust voor gekozen om een beperkter aantal groepen onder de werking van de zogeheten no-risk-polis als bedoeld in artikel 29b van de ZW te laten vallen dan het geval was toen de term arbeidsgehandicapte daarvoor leidend was. Wat betreft het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank overwogen dat uit de informatiefolders en de website van het Uwv en ook uit het hier gebruikte aanvraagformulier voor ziekengeld niet expliciet blijkt dat in het onderhavige geval recht op ziekengeld voor de werknemer zou bestaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank niet zien slagen omdat enkele, incidentele, foutieve toepassingen van artikel 29b van de ZW er niet toe kunnen leiden dat alle andere aanvragen op een met de wet strijdige wijze afgehandeld zouden moeten worden.

3. Appellante heeft herhaald hetgeen zij reeds in bezwaar en beroep had aangevoerd. Vanwege de aan de werknemer toegekende voorziening heeft het Uwv de werknemer ten onrechte niet onder de werking van artikel 29b van de ZW gebracht. Op grond van het formulier Aangifte ziekte, meent appellante ervan uit te mogen gaan dat dit artikel 29b voor haar werknemer van toepassing is. Bij vraag 9.1 is namelijk vermeld:

“Werknemer is arbeidsgehandicapt of structureel functioneel beperkt

- kruis in dit verband aan op (grond) waarvan dit kan worden aangenomen

(…) Werknemer komt in aanmerking voor een voorziening voor behoud, herstel of bevordering van de arbeidsongeschiktheid.”

Indien appellante had geweten dat geen ziekengeld zou worden toegekend aan de werknemer dan had zij hem niet in dienst genomen. Voorts heeft appellante naar voren gebracht dat het Uwv niet heeft aangetoond dat het toekennen van ZW-uitkeringen in zaken zoals deze slechts in incidentele gevallen is gebeurd.

4. In het bestreden besluit - zoals nader toegelicht ter zitting - heeft het Uwv overwogen dat vanaf 29 december 2005 artikel 29b van de ZW is aangepast aan de nieuwe arbeidsongeschiktheidswetgeving die per die datum is ingevoerd en dat de doelgroep van deze zogeheten no-risk-polis op belangrijke punten is gewijzigd en expliciet in dit artikel 29b is omschreven. Bij beslissing van 2 november 2007 heeft het Uwv aan de werknemer een vergoeding toegekend voor de kosten van orthopaedische werkschoenen, omdat de werknemer structureel functionele beperkingen heeft die deze voorziening in het werk noodzakelijk maken. Het (nodig) hebben van een voorziening op grond van artikel 35 van de Wet WIA doet echter geen aanspraak ontstaan op de no-risk-polis van artikel 29b van de ZW.

5.1. De Raad acht geen grond aanwezig dit standpunt van het Uwv voor onjuist te houden. Appellante heeft erkend dat de situatie van de werknemer niet valt binnen de omschrijving van artikel 29b van de ZW, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang. Voor een verruiming van de in artikel 29b van de ZW aangewezen doelgroep als door appellante gewenst, ontbreekt de mogelijkheid. In dit verband wijst de Raad erop dat de wetgever de omvang van de doelgroep limitatief heeft omschreven en heeft willen beperken tot de in artikel 29b van de ZW bedoelde groep werknemers. Het feit dat aan de werknemer op 2 november 2007 een voorziening is toegekend met toepassing van artikel 35 van de Wet WIA kan niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden dat haar werknemer als werknemer in de zin van artikel 29b van de ZW wordt aangemerkt. Evenmin kan dit op basis van het door appellante ter zitting van de Raad gedane beroep op de Regeling indicatiestelling no-riskpolis en premiekorting UWV (Stcrt. 2005, 249). Deze Regeling is gebaseerd op de leden negen en tien van artikel 29b van de ZW, welke bepalingen zien op de nadere uitwerking van het tweede lid van dit artikel 29b. In de aangevallen uitspraak is terecht overwogen dat de werknemer van appellante niet behoort tot de in artikel 29b, tweede lid, van de ZW bedoelde werknemers.

5.2. Met de rechtbank en onder overneming van hetgeen dienaangaande in de aangevallen uitspraak is overwogen, komt de Raad tot het oordeel, dat er geen aanleiding bestaat om te concluderen dat het Uwv het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

5.3. Uit de overwegingen 5.1 en 5.2 volgt dat het Uwv terecht heeft geweigerd aan de werknemer per 3 april 2008 ziekengeld toe te kennen, dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

RK