Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2411

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
09-4319 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Het Uwv heeft op goede gronden geconcludeerd dat de op 28 juli 2008 vastgestelde beperkingen werden veroorzaakt door afwijkingen aan de SI-gewrichten. Deze afwijkingen bestonden echter al voor het begin van de onderhavige zwangerschap, zodat op 28 juli 2008 geen sprake was van klachten die rechtstreeks het gevolg waren van deze zwangerschap/bevalling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4319 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2009, 08/4860 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Aan dit het geding heeft tevens als partij deelgenomen P.C. Bleijenberg-Tholenaar, wonende te De Heen (hierna: werkneemster).

Datum uitspraak: 20 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld, onder overlegging van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff gedateerd 20 juli 2009.

Namens betrokkene heeft mr. I.H.M. Buijsse, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 augustus 2009 heeft mr. C.H. Pannekoek, advocaat van werkneemster, een reactie ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens. Betrokkene is verschenen bij mr. Buijsse. Werkneemster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.P. Faassen, advocaat te Breda en kantoorgenoot van mr. Pannekoek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Werkneemster was als metrobeambte in dienst van betrokkene gedurende 36 uur per week. Per 18 mei 2007 is aan werkneemster een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg door appellant. Na de bevalling van haar zoon [in] 2007 heeft werkneemster tot en met 6 september 2007 een bevallingsuitkering ontvangen. Daarna bleef zij zich arbeidsongeschikt achten ten gevolge van zwangerschap/bevalling. Op 25 juli 2008 heeft de verzekeringsarts F. Declercq haar onderzocht op het spreekuur en daar is geconstateerd dat er aanwijzingen waren voor lage rugproblematiek eerder dan voor bekkeninstabiliteit, maar dat de beperking van de belastbaarheid geen rechtstreekse relatie meer had met deze tweede zwangerschap/bevalling. Verder was volgens deze arts niet uit te sluiten dat de klachten van werkneemster voor een groot deel samenhingen met de bij haar al langer bekende psioriatische arthopatie. Bij besluit van 28 juli 2008 is zij per die datum niet meer in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge artikel 29a van de Ziektewet (ZW).

1.2. Bij besluit van 10 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene, gericht tegen het besluit van 28 juli 2008, ongegrond verklaard. In dat kader heeft appellant, op basis van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van 7 oktober 2008, aangevoerd dat werkneemster per 28 juli 2008 niet langer arbeidsongeschikt was als gevolg van een rechtstreeks aan de zwangerschap of bevalling gerelateerde ziekte als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW, reden waarom de weigering om aan werkneemster per 28 juli 2008 nog langer ziekengeld toe te kennen, wordt gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepalingen opgenomen over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daarbij is overwogen dat in het kader van de beoordeling van de aanspraken van werkneemster op een uitkering ingevolge artikel 29a van de ZW door appellant criteria worden gehanteerd zoals die zijn opgenomen in de standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” van 29 april 1999 (Lisv-mededeling M 99.47; hierna: de standaard). Volgens de algemene criteria is het aannemelijker dat er sprake is van een oorzakelijk verband met de zwangerschap/bevalling als de klachten nog niet voor het begin van de zwangerschap bestonden. De aannemelijkheid van het verband tussen de klacht en zwangerschap/bevalling wordt kleiner geacht naarmate er meer tijd is verstreken na de bevalling; ook in het geval er aanvankelijk wel een verband werd aangenomen. Volgens de standaard geldt in het algemeen dat als er drie maanden na de bevalling nog steeds sprake is van arbeidsongeschiktheid, dit aanleiding is tot een kritischer beoordeling van de oorzakelijkheid. De rechtbank heeft het geschil zich zien toespitsen op de vraag of de klachten van werkneemster in (overwegende mate) het gevolg zijn van de zwangerschap/bevalling en heeft verwezen naar de informatie van de behandelend reumatoloog J.H.L.M. van Groenendael, gedateerd 19 januari 2009, waarin is vermeld dat de sclerotische afwijkingen al bestonden en destijds geen klachten gaven. Na de bevalling zijn er echter wel lage rugklachten ontstaan. Gelet op de informatie van de orthopedisch chirurg M.M. Alvarez Ferrero van 21 augustus 2008 waarin volgens de rechtbank expliciet wordt vermeld dat er sprake is van bekkenklachten na graviditeit, is de rechtbank van oordeel dat op zijn minst twijfelachtig is of de klachten van werkneemster in (overwegende mate) het gevolg zijn van de zwangerschap/bevalling. Gelet op de standaard dient bij twijfel het voordeel aan werkneemster te worden gegeven en aangenomen te worden dat haar klachten het gevolg zijn van zwangerschap/bevalling.

3. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar het rapport van 20 juli 2009 van de bezwaarverzekeringsarts Van Hooff waarin is geconcludeerd dat per 28 juli 2008, de datum in geding, slechts resteerden de SI-afwijkingen en dat deze afwijkingen reeds bestonden voor de onderhavige zwangerschap. De klachten die werkneemster nog had op de datum in geding zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts niet het rechtstreekse gevolg van deze zwangerschap/bevalling. Ook bij de eerdere zwangerschap/bevalling van werkneemster heeft zich de situatie voorgedaan dat er in die periode een beduidende toename van de klachten was, die daarna weer afnamen naar een mate zoals die voor de zwangerschap bestond. De orthopedisch chirurg Alvarez Ferrero heeft werkneemster gezien op zijn spreekuur van 20 augustus 2008 en haar behandeld met injecties in de SI-gewrichten, maar de desbetreffende afwijking bestond al voor de hier van belang zijnde, tweede zwangerschap van werkneemster. Van Hooff heeft in dit verband geconcludeerd dat de orthopeed blijkbaar niet op de hoogte was van het feit dat de SI-afwijkingen al in januari 2006 zijn gevonden, namelijk door de reumatoloog Van Groenendael. In de brief van de orthopedisch chirurg van 21 augustus 2008 wordt daarvan geen melding gemaakt.

4. Betrokkene heeft aangevoerd dat appellant aan de hand van de standaard de vraag dient te beantwoorden of de klachten van een vrouw het gevolg zijn van zwangerschap of bevalling. Wanneer het, zoals in dit geval, niet gaat om klachten die uitsluitend het gevolg kunnen zijn van zwangerschap, bevalling of kraambed dan dient getoetst te worden aan de algemene criteria. Hiertoe moeten de volgende vragen worden beantwoord:

1. Is de klacht ontstaan tijdens de zwangerschap?

2. Heeft de klacht een relatie met de (direct) bij de zwangerschap/bevalling betrokken organen en/of hormonale veranderingen als gevolg van de zwangerschap/bevalling?

3. Maakt het tijdstip van het optreden van de klacht in relatie tot de duur van de zwangerschap/kraamperiode het verband tussen de klachten en de zwangerschap/kraamperiode (lees: bevalling) aannemelijk?

4. Is de klacht verergerd tijdens de zwangerschap?

Gelet op de inhoud en strekking van de standaard is hier het oorzakelijk verband aannemelijk, nu in dit geval al deze vragen positief kunnen worden beantwoord. Wat betreft de vragen 1 tot en met 3 heeft betrokkene verwezen naar de brief van haar bedrijfsarts van 15 september 2008 en de brief van de orthopedisch chirurg

Alvarez Ferrero van 21 augustus 2008. Zij heeft haar standpunt herhaald dat werkneemster last had van bekkenklachten die zijn ontstaan door de onderhavige zwangerschap/bevalling. Bovendien waren deze klachten helaas niet nieuw voor de werkneemster omdat zij bij haar eerste zwangerschap dezelfde klachten had. Naar de mening van betrokkene kan daarmee ook vraag 4 positief worden beantwoord.

5. Werkneemster heeft zich aangesloten bij hetgeen betrokkene heeft aangevoerd en de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

6.1. De Raad verenigt zich met het standpunt van appellant met betrekking tot het bestreden besluit en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen uit de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen Greveling van 7 oktober 2008, 3 december 2008 en 2 februari 2009 en van Van Hooff van 20 juli 2009. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad bij het antwoord op de vraag of er per 28 juli 2008 een rechtstreeks verband bestond tussen de zwangerschap/bevalling en de toen resterende klachten terecht geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de diagnose van de orthopedisch chirurg Alvarez Ferrero in zijn brief van 21 augustus 2008 dat de bekkenklachten zijn ontstaan tijdens de zwangerschap. De Raad wijst er op dat de bezwaarverzekeringsarts Greveling in haar reactie van 3 december 2008 op deze brief naar voren heeft gebracht dat uit deze brief blijkt dat er - op basis van het röntgenonderzoek dat op 7 augustus 2008 bij werkneemster plaatsvond, welk onderzoek geen afwijkingen aan de wervelkolom liet zien, maar wel sclerose in beide SI-regio’s - sprake is van betrekkelijk normale verhoudingen in de symphysis pubica. Dit pleit er volgens de bezwaarverzekeringsarts tegen dat het hier een probleem betreft, veroorzaakt door zwangerschap/bevalling. Greveling heeft in haar aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport van 7 oktober 2008, onder verwijzing naar genoemde brief van de orthopedisch chirurg, geconcludeerd dat de klachten van werkneemster weliswaar zijn ontstaan in de zwangerschap maar dat het gaat om sclerose van beide SI-gewrichten. Een aandoening die niet is te beschouwen als een direct gevolg van zwangerschap/bevalling. In haar rapport van 2 februari 2009 heeft Greveling gereageerd op een brief van de reumatoloog Van Groenendael gedateerd 19 januari 2009. In die brief geeft Van Groenendael aan dat de sclerose van de SI-gewrichten allang bestond voor de desbetreffende door hem gestelde diagnose. Ook dit is volgens de bezwaarverzekeringsarts een aanwijzing dat er geen reden is aan te nemen dat deze sclerose veroorzaakt is door de zwangerschap/bevalling.

6.2. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant op goede gronden geconcludeerd dat de op 28 juli 2008 vastgestelde beperkingen werden veroorzaakt door afwijkingen aan de SI-gewrichten. Deze afwijkingen bestonden echter al voor het begin van de onderhavige zwangerschap, zodat op 28 juli 2008 geen sprake was van klachten die rechtstreeks het gevolg waren van deze zwangerschap/bevalling. Zoals vermeld onder 3 heeft appellant aangevoerd dat er destijds sprake was van een toename van al bestaande klachten en dat de ernst van deze klachten op 28 juli 2008 weer geacht konden worden te zijn afgenomen tot het niveau van voor deze tweede zwangerschap. De bezwaarverzekeringsarts Van Hooff heeft het in zijn rapport van 20 juli 2009 aldus samengevat, dat de zwangerschap en bevalling een ongunstige invloed hebben gehad op de al aanwezige SI-afwijkingen. Het standpunt van de bedrijfsarts van betrokkene in zijn brief van 15 september 2008 dat werkneemster medische klachten heeft tengevolge van de zwangerschap is met het vorenstaande niet in strijd. De Raad stelt vast dat van de zijde van betrokkene en werkneemster geen (medische) informatie is verschaft die tot het oordeel leiden dat hetgeen appellant heeft aangevoerd onjuist is. Nu moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de criteria uit de standaard, is er voor het aannemen van een situatie waarin aan werkneemster per 28 juli 2008 het voordeel van de twijfel moet worden gegund, als door de rechtbank gedaan, geen grond aanwezig.

7. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 en 6.2 volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep ongegrond.

8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

EV