Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
09-6876 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant ten onrechte in de bezwaarfase geen bezwaarverzekeringsarts heeft ingeschakeld. Door dit na te laten is het bestreden besluit ook naar het oordeel van de Raad onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Dit leidt de Raad, anders dan de rechtbank, echter niet tot de slotsom dat het bestreden besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad is van oordeel dat mogelijke psychische beperkingen van werkneemster in verband met de in dit geding te beantwoorden vraag of appellant voldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd geen doorslaggevende betekenis kunnen hebben. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat werkneemster na het bekend worden van de traumatische familiegebeurtenissen die tot mogelijke psychische problemen bij haar hebben geleid desondanks nog een tijd lang als horecamedewerker heeft gewerkt en uiteindelijk met lichamelijke problematiek is uitgevallen. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6876 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 november 2009, 09/183 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]., gevestigd te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft E.H.J.M. Spanjers een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens. Namens betrokkene is verschenen J.S. Rijnberg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 oktober 2008 heeft appellant het tijdvak waarin [naam werkneemster] (hierna: werkneemster) jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging, ook wel kortweg loonsanctie genoemd, is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 februari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof van 13 februari 2009, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met de opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat niet kan worden gezegd dat er geen eerstejaarsevaluatie heeft plaatsgevonden en heeft geoordeeld dat er op dat moment nog geen aanleiding bestond om een begin te maken met re-integratieactiviteiten in het tweede spoor. Voor zover betrokkene daarbij is afgegaan op het oordeel en het advies van de bedrijfsarts kan dit betrokkene niet worden tegengeworpen. Dat er vertraging is opgetreden bij de inschakeling van een arbeidsdeskundige ter beantwoording van de vraag of werkneemster weer volledig zou kunnen hervatten in het eigen werk, kan betrokkene, aldus de rechtbank, evenmin worden verweten. De rechtbank heeft geoordeeld dat, ofschoon geen bevredigend resultaat was bereikt, niet kan worden gezegd dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant ten onrechte in de bezwaarfase geen bezwaarverzekeringsarts heeft ingeschakeld in reactie op de door betrokkene naar voren gebrachte psychische problematiek van werkneemster, die van invloed zou zijn op haar belastbaarheid en daarmee op de re-integratiemogelijkheden van werkneemster.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713, aangevoerd, dat de verantwoordelijkheid van de werkgever voor een deugdelijke re-integratie ook een verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde diensten door de arbodienst impliceert en dat een beroep op onvoorwaardelijk vertrouwen om die reden niet opgaat. Voorts heeft appellant zich verzet tegen de conclusie van de rechtbank, dat hij - in de bezwaarfase - had moeten onderzoeken of er inderdaad sprake was van de door betrokkene opgeworpen psychische belemmeringen bij de re-integratie. Appellant heeft naar voren gebracht dat de werkgever met toestemming van werkneemster inzage heeft gehad in het medisch dossier van haar werkneemster, dat het aan betrokkene was om bewijzen aan te dragen voor de gestelde onderliggende psychische problematiek van werkneemster en dat het niet aannemelijk was dat de ervaren bedrijfsarts die problematiek niet zou hebben onderkend. Bovendien had betrokkene deze bijzondere kennis over de psychische gesteldheid van werkneemster met de bedrijfsarts kunnen delen en hem kunnen opdragen daarnaar een onderzoek te doen.

3.2. Betrokkene heeft zich daartegen verweerd en aangevoerd, dat het niet op de weg van de werkgever lag om, waar werkneemster haar bijzonder psychische problematiek niet bij de bedrijfsarts naar voren bracht, deze in de vertrouwelijke sfeer tussen werkneemster en werkgever door werkneemster geuite problematiek buiten werkneemster om bij de bedrijfsarts neer te leggen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of appellant terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.2. Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapportage van de arbeidsdeskundige J.W. Welleman van 9 oktober 2008, alsmede in bezwaar op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 februari 2009. De arbeidsdeskundige heeft na de beantwoording van schriftelijke vragen door de werkgever en telefonisch contact met Rijnberg en werkneemster geconcludeerd dat na één jaar ziekte is verzuimd de doelstelling van werkhervatting bij de eigen werkgever te evalueren op haalbaarheid. De bezwaararbeidsdeskundige heeft deze conclusie onderschreven.

4.3. De Raad stelt vast dat uit het door appellant op 29 september 2008 van betrokkene ontvangen plan van aanpak blijkt dat betrokkene in de persoon van Rijnberg al in september 2007 twijfelde of werkneemster haar eigen werk in het bedrijf (ooit) kon hervatten. Voorts maakt de Raad uit de eerstejaarsevaluatie en het verhandelde ter zitting op, dat de bedrijfsarts onvoldoende zicht had op de aard en zwaarte van de werkzaamheden van werkneemster in het horecabedrijf van betrokkene. In dit licht bezien onderschrijft de Raad de conclusie van de arbeidsdeskundige J.W. Welleman in zijn rapport van 9 oktober 2008, dat na één jaar ziekte, het zogeheten opschudmoment, is verzuimd de doelstelling van volledig herstel in het eigen werk te evalueren op haalbaarheid. Dat die doelstelling volgens de arbeidsdeskundige gezien de zwaarte van het werk en de aard van de klachten weinig reëel was, althans risicovol, en dat het inzetten van re-integratie in het tweede spoor, in ieder geval parallel aan spoor 1, had moeten plaatsvinden, komt de Raad niet als onjuist voor.

4.4. Voor zover betrokkene heeft aangevoerd dat zij vanuit onbekendheid met de wet- en regelgeving van de Wet verbetering poortwachter is afgegaan op het oordeel van (de bedrijfsarts van) de arbodienst en derhalve niet aansprakelijk is voor mogelijke tekortkomingen van de arbodienst, verwijst de Raad naar zijn voornoemde uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever is gelegen. De verantwoordelijkheid van werkgever (en werknemer) impliceert verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde diensten door ingeschakelde deskundigen, zoals (de bedrijfsarts van) de arbodienst.

4.5. De Raad is overigens met de rechtbank van oordeel dat appellant ten onrechte in de bezwaarfase geen bezwaarverzekeringsarts heeft ingeschakeld. Door dit na te laten is het bestreden besluit ook naar het oordeel van de Raad onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Dit leidt de Raad, anders dan de rechtbank, echter niet tot de slotsom dat het bestreden besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad is van oordeel dat mogelijke psychische beperkingen van werkneemster in verband met de in dit geding te beantwoorden vraag of appellant voldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd geen doorslaggevende betekenis kunnen hebben. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat werkneemster na het bekend worden van de traumatische familiegebeurtenissen die tot mogelijke psychische problemen bij haar hebben geleid desondanks nog een tijd lang als horecamedewerker heeft gewerkt en uiteindelijk met lichamelijke problematiek is uitgevallen.

4.6. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep doel treft. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en wordt het beroep ongegrond verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

NW