Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
09-6577 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opleggen loonsanctie. Onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6577 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 november 2009, 08/1882

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.H. de Haan, werkzaam bij De Groot Heupner B.V. te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 juni 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werkneemster] (hierna: werkneemster) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 september 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk van 17 september 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat er geen sprake is van een bevredigend resultaat nu werkneemster aan het einde van de wachttijd niet werkte, terwijl op dat moment geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellante onvoldoende inspanningen heeft verricht om werkneemster binnen het eigen bedrijf te re-integreren. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat appellante onvoldoende heeft gezocht naar mogelijkheden om werkneemster, die 16 uur per week werkzaam was, in eigen of ander werk te laten hervatten door het werk anders te organiseren of haar werkzaamheden te wijzigen. Het bestreden besluit kan dan ook in rechte stand houden.

3.1. In hoger beroep heeft appellante verwezen naar de gronden die zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd en gesteld dat op basis daarvan de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

3.2. Omdat appellante in hoger beroep geen nieuwe gronden heeft aangevoerd, heeft het Uwv in zijn verweerschrift volstaan met een verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 september 2008 en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 27 mei 2008, alsmede in bezwaar op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 september 2008. De arbeidsdeskundige heeft overleg gevoerd met de verzekeringsarts, die heeft aangegeven dat het gezien de medische gegevens voor werkneemster mogelijk moet zijn op het werk te kunnen komen en dat het ook aannemelijk is dat zij enige taken uit haar functie als medewerker front office moet kunnen verrichten, zoals ook de bedrijfsarts aangeeft. Volgens de arbeidsdeskundige zijn door appellante de mogelijkheden in het eerste spoor onvoldoende onderzocht en is het initiatief te veel bij werkneemster gelegd. Uit het re-integratieverslag blijkt niet dat een advies is gegeven om bijvoorbeeld een arbeidsdeskundige in te schakelen om aanpassingen op de werkplek te beoordelen of te realiseren. Er zijn door appellante geen deskundigen ingeschakeld om de mogelijkheden voor het verrichten van arbeid met aanpassingen of voorzieningen, of een andere inrichting van de werkplek te onderzoeken en er is geen gebruik gemaakt van het aanbod van werkneemster om thuis werkzaamheden te verrichten. Gelet hierop heeft de arbeidsdeskundige geen deugdelijke grond gezien voor het feit dat er door appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het standpunt van de arbeidsdeskundige. In zijn rapportage heeft hij vermeld dat uit eigen onderzoek van appellante en/of ingewonnen deskundigenonderzoek niet blijkt dat er binnen het eigen bedrijf geen reële re-integratiemogelijkheden zijn en dat de aangepaste werkzaamheden niet zijn beschreven. Ook de optie van het thuiswerken is onvoldoende onderzocht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft dan ook geconcludeerd dat re-integratie in het eerste spoor niet adequaat heeft plaatsgevonden, omdat een gedegen onderzoek naar mogelijkheden en onmogelijkheden in het eigen werk gezien de belastbaarheid van betrokkene ontbreekt. De re-integratie in het tweede spoor wordt diffuus genoemd, omdat min of meer naar eenzelfde functie wordt gezocht als welke werkneemster bij appellante verrichtte. Deze tekortkomingen rechtvaardigen volgens de bezwaararbeidsdeskundige de oplegging van de loondoorbetalingsverplichting.

4.4. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Blijkens het re-integratieverslag was werkneemster niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt, hetgeen inhoudt dat zij over arbeidsmogelijkheden beschikte. Naar het oordeel van de Raad is appellante ten onrechte uitgegaan van het advies van de bedrijfsarts dat werkneemster zelf moest aangeven wanneer en hoe lang zij kon werken. Uit de rapportages van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige blijkt genoegzaam dat werkneemster over reële arbeidsmogelijkheden beschikte, maar dat appellante door het achterwege laten van een onderzoek naar een mogelijke aanpassing van de werkplek en/of het inschakelen van een deskundige onvoldoende heeft onderzocht welke mogelijkheden er zijn tot hervatting van het eigen of aangepast werk binnen het eigen bedrijf. Ook de enkele stelling van appellante dat thuiswerk voor werkneemster geen reële optie is, is door het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht beschouwd als een onvoldoende reactie op het aanbod van werkneemster. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft op basis van de voorhanden gegevens dan ook terecht gesteld dat appellante onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar arbeidsmogelijkheden in het eerste spoor en als die er niet zouden zijn in het tweede spoor. Gelet op het geheel van feiten en omstandigheden onderschrijft de Raad dan ook de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige, dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

4.5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het besluit tot het opleggen van een loonsanctie in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

TM