Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2206

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
10-6871 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6871 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 november 2010, 09/861 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum, Onderbanken en Landgraaf (ISDBOL) (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 12 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.Th.B. Gerlag, advocaat te Kerkrade, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gerlag. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Maayen, werkzaam bij de gemeente Landgraaf.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving sinds 29 augustus 1989 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Op 6 maart 2006 heeft de sociale recherche van de gemeente Landgraaf een melding ontvangen van de politieregio Limburg Zuid dat op 4 maart 2006 door de politieregio Limburg Zuid een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen in de woning van appellante. De politie heeft proces-verbaal opgemaakt. Op basis daarvan heeft de sociale recherche van de gemeente Landgraaf een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Van de bevindingen van dit onderzoek is op 1 februari 2007 een rapport opgemaakt.

1.3. Naar aanleiding van dit rapport heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 17 april 2007 de bijstand van appellante over de periode van 3 maart 2004 tot en met 3 maart 2006 herzien. Bij dat besluit zijn tevens de gemaakte kosten van bijstand over de genoemde periode tot een bedrag van € 26.403,46 bruto teruggevorderd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van 3 maart 2004 tot en met 3 maart 2006 een hennepplantage had en dat zij, door daarvan geen melding te maken, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg van die schending kan haar recht op bijstand over de hiervoor genoemde periode niet worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 17 april 2009 heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen het besluit van 17 april 2007 (opnieuw) ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellante aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat met de handhaving van het primaire besluit van 17 april 2007 bij het thans bestreden besluit een kennelijk onbevoegd genomen besluit in stand wordt gelaten. Tevens is appellante van mening dat uit de beslissing van 17 april 2007 niet onmiskenbaar blijkt wat het besluit beoogt. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij van meet af aan heeft meegedeeld dat de in haar woning aangetroffen hennepplantage niet haar eigendom was of dat zij hieruit inkomsten heeft gegenereerd en dat uit de overgelegde bescheiden inzake de strafzaak dit genoegzaam blijkt. Voorts blijft zij benadrukken dat uit de door haar afgelegde verklaring op 4 april 2006 omtrent de vraag hoe lang de woning wordt gebruikt als hennepkwekerij niet mag worden afgeleid dat over de gehele periode van twee jaar WWB-uitkering mag worden herzien en worden teruggevorderd. Zij heeft daarbij uitdrukkelijk verklaard dat er tussenpauzes waren, maar dat geen boekhouding is bijgehouden. Tot slot heeft appellante verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in de bestuurlijke fase. Het dagelijks bestuur heeft desgevraagd aangevoerd dat de lange behandelingsduur van het bezwaar van appellante een gevolg was van de vele bezwaarprocedures en onderbezetting.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad overweegt met betrekking tot het besluit van 17 april 2009, mede afgaande op hetgeen ter zitting daaromtrent nog is gesteld, dat dit besluit bevoegd is genomen, zodat het bevoegdheidsgebrek dat aan het primaire besluit kleefde is hersteld.

4.2. Hoewel het besluit van 17 april 2007 ten onrechte vermeldt dat de bijstand wordt herzien, is de strekking van dit besluit naar het oordeel van de Raad wel duidelijk: de intrekking van de bijstand omdat als gevolg van de verzwegen hennepplantage het recht op bijstand over de periode van 3 maart 2004 tot en met 3 maart 2004 niet kan worden vastgesteld.

4.3. Vast staat dat op 4 maart 2006 in de huurwoning van appellante een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Gelet op de omvang van deze kwekerij en de aangetroffen apparatuur is de Raad van oordeel dat sprake is geweest van een professionele kwekerij. Ook staat vast dat appellante het dagelijks bestuur hierover niet heeft geïnformeerd.

4.4. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen - zie bijvoorbeeld de ook in de aangevallen uitspraak vermelde uitspraak van 15 april 2008, LJN BC9675 - rechtvaardigt het feit dat in de woning van appellante een hennepkwekerij is aangetroffen de vooronderstelling dat zij (mede)eigenaar van die kwekerij is geweest en dat de opbrengst daarvan (ook) haar ten goede is gekomen. Niet onbelangrijk hierbij is het gegeven dat appellante een groot deel van haar woning voor de exploitatie van deze kwekerij ter beschikking heeft gesteld en zelf met een klein deel van de woning genoegen heeft genomen. Het is dan aan appellante om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat dit anders is. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. De stelling van appellante dat zij door de politierechter niet voor het telen, bereiden, bewerken c.q. verwerken van hennep is veroordeeld, doet hier niet aan af. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 25 januari 2011, LJN BP2863, is de bestuursrechter niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, omdat in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.5. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante niet kan worden verweten dat zij van haar betrokkenheid bij het kweken van hennep in haar huurwoning geen melding heeft gemaakt. Weliswaar heeft appellante gesteld dat dit haar niet kon worden verweten, omdat zij door de personen die de kwekerij exploiteren onder druk werd gezet en zelfs enkele malen fysiek is mishandeld, maar deze stelling heeft appellante ook in hoger beroep op geen enkele wijze onderbouwd.

4.6. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat appellante haar stelling dat in de betreffende periode niet continu een hennepplantage aanwezig is geweest niet met enig objectief gegeven heeft onderbouwd. Het dagelijks bestuur mocht dan ook uitgaan van de door appellante op 4 april 2006 afgelegde verklaring dat de hennepkwekerij in haar woning reeds twee jaar in gebruik was.

4.7. Dit brengt mee dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen of appellante over de periode van 3 maart 2004 tot en met 3 maart 2006 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het dagelijks bestuur was daarom bevoegd de bijstand van appellante over die periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. De wijze waarop het dagelijks bestuur van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt heeft appellante niet bestreden. Hiermee is gegeven dat het dagelijks bestuur tevens bevoegd was de over die periode gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante terug te vorderen. Appellante heeft de wijze waarop het dagelijks bestuur van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt evenmin bestreden.

5. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 9 februari 2009, LJN BH2421.

5.1. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het dagelijks bestuur op 31 mei 2007 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn bijna vier jaar en twee maanden verstreken. De Raad stelt vast dat sprake is van een te lange behandelingsduur bij het dagelijks bestuur, nu tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 31 mei 2007 en het besluit van 17 april 2009 bijna een jaar en elf maanden zijn verstreken. De Raad stelt vervolgens vast dat geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, nu deze niet langer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Noch in de door het dagelijks bestuur gegeven verklaring voor de te lange behandelingsduur noch in de overige feiten en omstandigheden van dit geval ziet de Raad aanleiding de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een andere termijn dan vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn met bijna twee maanden is overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding voor appellante van € 500,--. De Raad zal daarom het dagelijks bestuur, waaraan deze overschrijding moet worden toegerekend, veroordelen tot betaling van dit bedrag aan appellante.

5.2. Uit het voorgaande volgt dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren, het besluit van 17 april 2009 zal vernietigen wegens strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten en het dagelijks bestuur zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 500,-- aan appellante.

6. De Raad ziet aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand. Nu in beroep en hoger beroep een bewijs van toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is afgegeven, dient het bedrag van in totaal € 1.518,-- te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 april 2009;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling aan appellante van een schadevergoeding ten bedrage van € 500,--;

Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.518,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD