Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
10/6176 WWB + 10/6177 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum bijstand. De Raad heeft, evenals de rechtbank, onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot toekenning van bijstand met ingang van een datum gelegen voor de melding bij de DWI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6176 WWB

10/6177 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2010, 10/2500, 10/2501 en 10/2502 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 mei 2011.

Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten wonen sinds medio maart 2009 bij hun vader [naam vader] te [gemeente].

1.2. Op 9 december 2009 heeft de vader ten behoeve van appellanten een aanvraag ingediend om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Het College heeft bij besluit van 14 december 2009 de bijstandsaanvraag afgewezen om reden dat appellanten niet staan ingeschreven op het adres van hun vader, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Op 4 februari 2010 is ten behoeve van appellanten opnieuw een bijstandsaanvraag ingediend. Bij afzonderlijke besluiten van 1 maart 2010 is aan appellanten bijstand toegekend met ingang van 4 februari 2010.

1.5. Bij brief van 11 maart 2010 heeft de gemachtigde van appellanten bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het door de vader bij brief van 17 december 2009 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 december 2009. Het College heeft de brief van 11 maart 2010 aangemerkt als bezwaarschrift tegen het besluit van 14 december 2009.

1.6. Bij afzonderlijke brieven van eveneens 11 maart 2010 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 maart 2010, voor zover daarbij is geweigerd de bijstand met terugwerkende kracht tot 15 juli 2009 toe te kennen.

1.7. Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het College het door de vader gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 december 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

1.8. Bij afzonderlijke besluiten van eveneens 6 mei 2010 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 1 maart 2010 ongegrond verklaard. Volgens het College is de bijstand terecht met ingang van 4 februari 2010 toegekend en niet met een eerdere datum, te weten 15 juli 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 6 mei 2010 ongegrond verklaard.

3. Gelet op hetgeen appellanten hebben aangevoerd richt het hoger beroep zich uitsluitend tegen de gehandhaafde weigering bijstand toe te kennen met terugwerkende kracht tot 15 juli 2009.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat een recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van deze bepaling, waaronder zijn uitspraak van 19 januari 2010, LJN BK9960, wordt in beginsel geen bijstand verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij de Centrale organisatie werk en inkomen heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.3. De toekenning van bijstand aan appellanten met ingang van 4 februari 2010, de datum waarop de vader zich tot de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) heeft gewend en ten behoeve van appellanten een bijstandsaanvraag heeft ingediend, is met genoemd uitgangspunt in overeenstemming.

4.4. De Raad heeft, evenals de rechtbank, onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot toekenning van bijstand met ingang van een datum gelegen voor de melding bij de DWI. Appellanten hebben erop gewezen dat hun vader zich al op 15 juli 2009 bij de DWI heeft gemeld voor het doen van een bijstandsaanvraag, maar dat hij is weggestuurd omdat hij niet beschikte over een geldig identiteitsbewijs. Die stelling hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar staat vast dat de vader zich op 15 juli 2009 bij de receptie van de DWI heeft gemeld in verband met een aanvraag van bijstand, maar niet is aangetoond dat hij op dat moment een aanvraag ten behoeve van appellanten heeft gedaan. Dit blijkt niet uit het door appellanten overgelegde bewijs van melding. Ook is niet gebleken dat de vader, nadat hij op 15 juli 2009 onverrichter zake was weggegaan bij de DWI, nadere actie heeft ondernomen waaruit wel blijkt dat hij een aanvraag ten behoeve van appellanten wilde indienen. Niet is gebleken dat de vader kort na 15 juli 2009 alsnog naar het kantoor van de DWI is gegaan om de aanvraag door te zetten dan wel de intake rond te krijgen. Pas in december 2009 is opnieuw om bijstand verzocht. Bij die aanvraag als ook bij de aanvraag van 4 februari 2010 is niet om bijstand met terugwerkende kracht tot 15 juli 2009 verzocht.

4.5. Appellanten hebben daarnaast aangevoerd dat zij vanaf 15 juli 2009 bijstandbehoevend waren en in een precaire financiële situatie verkeerden. Appellanten hebben deze stelling evenmin aannemelijk gemaakt. De vader van appellanten heeft tijdens een gesprek met een medewerker van de DWI op 11 februari 2010 verklaard dat hij een bedrag van € 2.500,-- uit Suriname heeft ontvangen, dat hij heeft aangewend voor de kosten die samenhangen met de opvoeding van appellanten. Daarnaast is gebleken dat de vader in de periode van juli 2009 tot en met februari 2010 tien maal een geldbedrag van zijn broer heeft ontvangen variërend van € 200,-- tot € 1.500,--. Uit de tot de gedingstukken behorende brief van de Sociale Verzekeringsbank van 1 maart 2010 leidt de Raad af dat tot en met het eerste kwartaal van 2010 kinderbijslag ten behoeve van appellanten is uitbetaald. De gestelde financiële situatie is dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat reeds hierom niet kan worden gesproken van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van bijstand rechtvaardigen.

4.6. Het College heeft dan ook terecht geweigerd aan de toekenning van bijstand terugwerkende kracht te verlenen en de ingangsdatum terecht op 4 februari 2010 gehandhaafd. De rechtbank is op goede gronden tot dezelfde conclusie gekomen.

4.7. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

RS