Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
10-713 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Door het College niet te melden dat appellante in de in geding zijnde periode haar hoofdverblijf niet langer had in de gemeente Leidschendam-Voorburg, heeft appellante haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden en is ten onrechte bijstand verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/713 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2009, 09/4691 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.D. Haytink, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Haytink. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E. Breukelman, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg. Tevens is daar verschenen de door appellante meegebrachte getuige [naam getuige].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 9 oktober 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

In de Gemeentelijke basisadministratie staat zij ingeschreven op het adres [adres 1] te [gemeente]. Op dit adres stonden ten tijde van belang tevens de twee kinderen van appellante ingeschreven alsmede haar neef [naam getuige] (hierna: [de getuige]).

1.2. Op 17 september 2007 heeft een gezamenlijke actie van de gemeente Leidschendam-Voorburg, energiemaatschappij Eneco en de politie Haaglanden plaatsgevonden op het woonwagenterrein [woonwagenterrein] te [gemeente]. In dat kader is een huisbezoek afgelegd aan het woonadres van appellante. Appellante werd niet thuis aangetroffen. Wel was aanwezig [de getuige], die verklaarde dat hij op dat adres samenwoont met zijn vriendin, hun zoontje en appellante. Tevens verklaarde hij dat de woning twee slaapkamers heeft, dat de kleine slaapkamer van zijn zoontje was, dat hij bezig was de grote slaapkamer, die hij en zijn vriendin gebruiken, te verbouwen en dat appellante op de bank sliep.

1.3. Op 19 februari 2008 is appellante uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de sociale dienst. Tijdens dit gesprek heeft zij verklaard dat zij op het adres [adres 1] samenwoont met haar kinderen en [de getuige], dat [de getuige] bij haar is komen inwonen omdat hij problemen had, dat zij haar zoontje, dat gehandicapt is, dagelijks brengt en haalt naar en van het kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf] in [gemeente 2], dat haar zoontje is erkend door zijn vader [naam vader] en dat zij geen contact heeft met de vader(s) van haar kinderen. Na het gesprek is geconstateerd dat appellante is weggereden naar de [adres 2] te [gemeente 2] alwaar volgens gegevens van Suwinet [vader] woonachtig is. Tevens bleek dat appellante gebruik had gemaakt van een auto die op naam geregistreerd stond van [vader].

1.4. Omdat het vermoeden bestond dat appellante haar hoofdverblijf niet op het door haar opgegeven adres had, maar een gezamenlijke huishouding voerde met [vader], heeft het College de sociale recherche opdracht gegeven een nader onderzoek te doen. In dat kader zijn in de periode van 17 juni 2008 tot en met 22 september 2008 observaties verricht in de omgeving van het adres [adres 2] [nr.] te [gemeente 2] en het kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf] te [gemeente 2], zijn bij diverse instantie gegevens opgevraagd en is appellante op 25 september 2008 door de sociale recherche verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport dat op 26 september 2008 is afgesloten.

1.5. De bevindingen van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 9 oktober 2008 met ingang van 1 oktober 2008 de bijstand van appellante te beëindigen. Tevens heeft het College daarbij het recht op bijstand over de periode van 17 september 2007 tot en met 30 september 2008 herzien (lees: ingetrokken). Aan het besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat gebleken is dat appellante haar hoofdverblijf niet heeft op het opgegeven adres in de gemeente Leidschendam-Voorburg, maar dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [vader] op het adres [adres 3] [nr.] te [gemeente 2]. Door hiervan geen melding te maken aan het College heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

1.6. Bij afzonderlijke besluiten van 17 oktober 2008 heeft het College de gemaakte kosten van de ten onrechte uitgekeerde bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 3.928,92 bruto over de periode van 17 september tot en met 31 december 2007 en tot een bedrag van € 7.633,73 netto over de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2008.

1.7. Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het College het door appellante gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 9 en 17 oktober 2008 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft doorgegeven dat zij vanaf 17 september 2007 niet (meer) woonachtig is in de gemeente Leidschendam-Voorburg. Hierdoor heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand op juiste wijze heeft ingetrokken. Daarmee staat tevens vast dat appellante in de periode van 17 september 2007 tot en met 30 september 2008 ten onrechte bijstand heeft ontvangen, zodat de terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB ook op juiste gronden heeft plaatsgevonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 26 mei 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwist het standpunt van het College dat zij haar hoofdverblijf niet op het adres [adres 1] te [gemeente 1] heeft. Ook betwist zij dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [vader] op het adres [adres 3] in [gemeente 2]. Het door de sociale recherche gedane onderzoek biedt daartoe onvoldoende feitelijke grondslag. De rechtbank heeft volgens appellante dan ook ten onrechte geoordeeld dat het College bevoegd was om tot intrekking en terugvordering van de bijstand over te gaan en in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken. Voorts is de rechtbank volgens appellante ten onrechte voorbij gegaan aan de omstandigheid dat haar zoon zwaar gehandicapt is, appellante ervoor heeft gekozen zelf voor hem te zorgen met behulp van haar familie, de vader van haar zoon en zijn familie. Hierin had het College aanleiding moeten zien om niet tot terugvordering over te gaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van de bijstand per 1 oktober 2008 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie CRvB 25 mei 2011, LJN BQ7485) bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Samengenomen met de door het College wel beperkte periode van 17 september 2007 tot en met 30 september 2008, betekent dit dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 17 september 2007 tot en met 9 oktober 2008.

4.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 5 april 2011, LJN BQ1016, te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3. Anders dan appellante stelt is de Raad met de rechtbank en het College van oordeel dat op grond van de onderzoeksbevindingen is vast komen te staan dat appellante in de in geding zijnde periode niet haar hoofdverblijf - en daarmee niet haar woonplaats - heeft gehad in de gemeente Leidschendam-Voorburg.

Evenals de rechtbank kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de door appellante op 25 september 2008 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring dat zij sinds een jaar overwegend verblijft bij de [vader] aan de [adres 3] te [gemeente 2]. Deze verklaring van appellante wordt ondersteund door de gedane waarnemingen waarbij een aantal keren is geconstateerd dat zij van het kinderdagverblijf te [gemeente 2] naar de [adres 3] te [gemeente 2] reed, alsmede door de door [de getuige] afgelegde verklaring tijdens het in 1.3 genoemde huisbezoek en de in bezwaar overgelegde verklaringen van bewoners van het woonwagenkamp [adres 3] t[gemeente 2]] die bevestigen dat appellante in de periode in geding veel op de [adres 3] verbleef. De Raad merkt op dat de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring van appellante dat zij sinds enkele maanden bij haar ouders op het adres [adres 2] verblijft in tegenspraak is met de in bezwaar overgelegde verklaring van haar ouders dat appellante op het adres [adres 1] woont en woonde.

4.4. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding af te wijken van zijn vaste rechtspraak, waaronder zijn uitspraak van 4 mei 2010, LJN BM7618, dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Zij heeft na lezing haar verklaring zonder voorbehoud getekend. De omstandigheid dat appellante zenuwachtig was tijdens het verhoor is begrijpelijk, maar dat maakt, evenals het feit dat zij spijt heeft dat zij de verklaring heeft ondertekend, het voorgaande niet anders.

4.5. Tegenover deze verklaringen heeft appellante onvoldoende gesteld. Aan de ter zitting afgelegde verklaring van [de getuige] komt onvoldoende zwaarwegende betekenis toe in het licht van de onderzoeksbevindingen. Daarbij wijst de Raad erop dat [de getuige] eerst ter zitting van de Raad heeft verklaard dat de rapportage naar aanleiding van het huisbezoek op 17 september 2007 geen juiste beschrijving van de situatie geeft omdat er niet twee maar drie slaapkamers in de woonwagen waren. Wat er van de waarde van deze verklaring verder ook zij, niet valt in te zien waarom appellante een en ander niet eerder heeft ingebracht.

Ook wijst de Raad erop dat gezien de motivering van het besluit van 26 mei 2009, het College niet diende aan te tonen dat appellante op het adres [adres 3] [nr.] verbleef, maar dat zij haar hoofdverblijf niet (langer) in de gemeente Leidschendam-Voorburg had. Aan appellantes verklaring dat zij bij de moeder van [vader] verbleef op het adres [adres 3] [nr.] en niet bij [vader] op nummer [nr.] komt dan ook geen zelfstandige betekenis toe. Deze verklaring ondersteunt eerder het standpunt van het College dat appellante niet meer woonachtig in Leidschendam-Voorburg was. Tenslotte hebben de in hoger beroep overgelegde stukken die zouden moeten aantonen dat appellante haar hoofdverblijf op het adres [adres 1] had, geen betrekking op de periode in geding, zodat zij reeds daarom niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.6. Door het College niet te melden dat zij in de in geding zijnde periode haar hoofdverblijf niet langer had in de gemeente Leidschendam-Voorburg, heeft appellante haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Deze schending heeft tot gevolg gehad dat aan appellante in de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend. Het College was derhalve ingevolge artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de in geding zijnde periode in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot intrekking heeft kunnen besluiten.

4.7. Uit de vaststelling dat appellante in de in geding zijnde periode geen hoofdverblijf in de gemeente Leidschendam-Voorburg had, volgt dat zij in deze periode geen recht op bijstand jegens de gemeente Leidschendam-Voorburg heeft gehad. De door het College in het besluit van 26 mei 2009 neergelegde motivering gaat er echter van uit dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante niet was vast te stellen. Het besluit van 26 mei 2009 voor zover dat op de intrekking ziet, is dan ook niet op een deugdelijke motivering gebaseerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 26 mei 2009 vernietigen ter zake van de intrekking van de bijstand wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.8. Gelet op het in 4.3 tot en met 4.7 overwogene ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 26 mei 2009 in stand te laten.

4.9. Uit het in 4.3 tot en met 4.7 overwogene volgt tevens dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand over te gaan. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen besluiten. De omstandigheid dat appellante de zorg draagt voor haar gehandicapte zoon ziet niet op de gevolgen van de terugvordering. Appellante heeft niet aangevoerd dat de terugvordering zal leiden tot onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties. De Raad wijst er tenslotte op dat de tenuitvoerlegging van een terugvorderingsbesluit zodanig moet geschieden dat appellante blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor de kosten voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen de intrekking van de bijstand ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Vernietigt het besluit van 26 mei 2009 voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

HD