Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
09-6236 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand op grond van de WWB. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6236 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2009, 09/638 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. de Waard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Waard en P.M. Cuypers als tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 16 september 2008 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Daarbij heeft hij aangegeven alleenstaand te zijn en in te wonen bij een kennis op het adres [adres 1] te [gemeente].

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag en vanwege onduidelijkheid over de woonsituatie

hebben handhavingspecialisten van de afdeling Controle van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam op 7 oktober 2008 op kantoor gesproken met appellant, waarvan een verklaring is opgesteld die door appellant is ondertekend, waarna op diezelfde dag een huisbezoek is afgelegd.

1.3. De resultaten van het onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van 8 oktober 2008, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 8 oktober 2008 de aanvraag van appellant onder toepassing van artikel 17 van de WWB af te wijzen omdat de woon- of leefsituatie van appellant niet overeenstemde met zijn opgave.

1.4. Bij besluit van 7 januari 2009 heeft het College na bezwaar de afwijzing van de aanvraag, onder wijzing van de grondslag, gehandhaafd. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB voerde met mevrouw [L.], zodat geen recht bestond op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 7 januari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestaan van een gezamenlijke huishouding voldoende vast is komen te staan. Niet betwist wordt dat appellant zijn hoofdverblijf heeft in de woning van [L.]. Appellant betwist wel dat sprake is van wederzijdse zorg. Appellant heeft in dit verband gesteld dat hij niet gehouden kan worden aan de door hem op 7 oktober 2008 voor de handhavingspecialisten afgelegde verklaring, die voor velerlei uitleg vatbaar is, omdat hij de Nederlandse taal niet voldoende machtig is en hij deze verklaring zonder bijstand van een tolk heeft afgelegd. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat hij heeft beoogd te verklaren dat [L.] en hij om de beurt aten en dat zij de huishoudtaken niet deelden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 19 februari 2008, LJN BC5103, bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van

16 september 2008 tot en met 8 oktober 2008.

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of sprake is van wederzijdse zorg tussen appellant en [L.].

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 5 januari 2010, LJN BK8449, kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de geboden zorg van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het rapport van 8 oktober 2008 voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van het College dat appellant en [L.] in de hier te beoordelen periode blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. De Raad hecht betekenis aan de door appellant ten kantore van de DWI afgelegde

en ondertekende verklaring dat zij gezamenlijk de was doen en dat zij om de beurt koken en dan samen eten. Voorts hecht de Raad belang aan het feit dat appellant heeft verklaard dat hij de zolder - waar hij verblijft - schoon houdt en dat [L.] een schoonmaakster heeft die één keer in de week komt, maar dat zij tussendoor samen het huishouden doen. De Raad hecht verder betekenis aan de verklaring van appellant dat hij gebruik mag maken van de boodschappen van [L.] en andersom. De stelling van appellant dat de omvang van de zorg van [L.], mede door de door hem ondergane liesbreukoperatie in augustus 2008, in omvang groter is, doet hier niet aan af.

4.6. De Raad acht de eerst in hoger beroep aangevoerde grief, dat appellant niet gehouden kan worden aan de door hem tegenover de handhavingspecialisten afgelegde verklaring, omdat hij de Nederlandse taal destijds niet voldoende machtig was en deze verklaring is afgelegd zonder bijstand van een tolk, niet overtuigend. De Raad overweegt daartoe dat appellant de betreffende verklaring heeft ondertekend en destijds niet heeft verzocht om bijstand door een tolk. Voorts kwam hetgeen appellant heeft verklaard overeen met de situatie zoals aangetroffen tijdens het daaropvolgende thuisbezoek. De Raad merkt op dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant in ieder geval sinds 1995 in Nederland woont en ook via verschillende uitzendbureaus werkzaam is geweest, zodat kan worden aangenomen dat appellant destijds de Nederlandse taal in voldoende mate beheerste. Bovendien bevat de verklaring veel gegevens en details die alleen van appellant afkomstig kunnen zijn.

4.7. Nu uit het vorenstaande volgt dat appellant ten tijde hier van belang met [L.] een gezamenlijke huishouding voerde in de zin van de WWB kon hij om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand, zodat hij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Hieruit volgt dat het College bij besluit van 7 januari 2009 de afwijzing van de aanvraag van appellant naar het oordeel van de Raad terecht heeft gehandhaafd.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD