Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
10-5080 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mede in aanmerking genomen voorts dat de inhoud van de desbetreffende besluiten jegens L en B door het college in de stukken uitvoerig is beschreven, is de Raad van oordeel dat er geen grond is om toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb. Voor een beperking van de kennisneming is dus geen grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5080 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

B E S L I S S I N G

inzake de toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: college)

I. INLEIDING

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 10/5080 AW

Bij het verweerschrift heeft het college de plaatsings- en bevorderingsbesluiten van de inmiddels voormalige collega’s van appellant, L en B, overgelegd. Onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het college opgemerkt dat alleen de Raad inzage krijgt van deze geschriften.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet kunnen partijen die verplicht zijn stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de Raad meedelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de stukken.

Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet beslist de Raad of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

2. Het door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak instandgelaten bestreden besluit behelst de niet-ontvankelijkverklaring van appellants bezwaar tegen de beslissingen van het college om L en B definitief te plaatsen in twee functies van hoofd van een sectie. De reden voor de niet-ontvankelijkverklaring is dat appellant geen belanghebbende is bij deze besluiten.

3. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft het college gewezen op de omstandigheid dat appellant geen belanghebbende is bij de beslissingen jegens L en B en dat hij dus geen belang heeft bij het inzien van deze beslissingen.

4. De Raad is van oordeel dat het geen belanghebbende zijn bij de desbetreffende besluiten niet een gewichtige reden is als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De Raad merkt hierbij nog op, dat de rechtsstrijd tussen partijen gaat over de vraag of appellant belanghebbende bij die besluiten is en dat daarover nog niet definitief is beslist. Aan de vraag of appellant belang heeft bij de inzage van deze besluiten komt in het licht van de in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb bedoelde gewichtige redenen evenmin betekenis toe.

5. Mede in aanmerking genomen voorts dat de inhoud van de desbetreffende besluiten jegens L en B door het college in de stukken uitvoerig is beschreven, is de Raad van oordeel dat er geen grond is om toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb. Voor een beperking van de kennisneming is dus geen grond.

De stukken zullen naar het college worden teruggezonden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bepaalt dat beperking van de kennisneming van de plaatsings- en bevorderingsbesluiten van L en B niet gerechtvaardigd is.

Deze beslissing is genomen op 7 juli 2011 door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Bekkers.

HD