Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1662

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
09-3925 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering (verdere) ZW-uitkering toe te kennen. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden de uitkomst van het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Mirza voor onjuist te houden en heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts de beschikking had over informatie van de huisarts P.E. Stad van 25 oktober 2008 en deze informatie heeft meegewogen in haar oordeel. Dat de migraine klachten van appellante dusdanig van ernst zijn dat zij haar arbeid niet kan verrichten, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende medisch onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3925 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juni 2009, 08/7971 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schijndel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigden door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Appellante heeft in verband met zwangerschap en bevalling een uitkering ontvangen ingevolge de Wet arbeid en zorg (WAZO). In aansluiting hierop heeft appellante zich op 31 juli 2007 ziek gemeld met rugklachten. Ter zake van deze ziekmelding heeft appellante diverse malen het spreekuur van de verzekeringsarts J.L. Vos bezocht. Tijdens het spreekuur van 8 september 2008 heeft de verzekeringsarts appellante per 15 september 2008 geschikt geacht voor haar arbeid. Bij besluit van 8 september 2008 heeft het Uwv (verdere) uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Bij besluit van 31 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van

31 oktober 2008, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 september 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de door de betrokken verzekeringsartsen opgestelde rapportages.

3. In hoger beroep handhaaft appellante - kort gezegd - haar standpunt dat de bij haar bestaande rugklachten en migraine haar belemmerden om op en na de datum in geding arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep informatie ingebracht van reumatoloog dr. M.H.W. de Bois van 4 augustus 2009 en neuroloog dr. K.I. Roon van 17 augustus 2009.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden de uitkomst van het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Mirza voor onjuist te houden en heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts de beschikking had over informatie van de huisarts P.E. Stad van 25 oktober 2008 en deze informatie heeft meegewogen in haar oordeel. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat sprake is van chronische rugpijn en dat appellante twee maal het spreekuur heeft bezocht vanwege hoofdpijnklachten. Met betrekking tot de rugklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat voor deze klachten geen oorzaak is gevonden. Voor het standpunt van appellante dat voor haar (ernstige) rugpijnklachten wel een mogelijke oorzaak is gevonden, vindt de Raad geen onderbouwing in de in hoger beroep overgelegde verklaring van de reumatoloog De Bois van 4 augustus 2009. Volgens De Bois is er geen aanwijzing voor een reumatoïde artritis noch voor een spondylartritis. Voor het chronisch pijnsyndroom kreeg appellante het advies om haar conditie te verbeteren via fysiotherapie. De opvatting van De Bois komt overeen met de bevindingen en de conclusies van de betrokken verzekeringsartsen.

4.4. Ten aanzien van appellantes standpunt dat haar migraine klachten zijn miskend, merkt de Raad op dat uit de rapportages van zowel de verzekeringsarts Vos als bezwaarverzekeringsarts Mirza, van respectievelijk 19 juni 2008 en 31 oktober 2008, blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde hoofdpijnklachten, maar deze klachten blijkbaar niet op de voorgrond stonden. De Raad ziet in de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de neuroloog Roon van 17 augustus 2009 geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de betrokken verzekeringsartsen. Neurologisch onderzoek van de hersenzenuw liet geen afwijking zien. Roon heeft geconcludeerd tot migraine zonder aura met hoge aanvalfrequentie. Uit voornoemde informatie komen geen gegevens naar voren omtrent de frequentie en de duur van de migraine aanvallen. Dat de migraine klachten van appellante dusdanig van ernst zijn dat zij haar arbeid niet kan verrichten, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende medisch onderbouwd.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

RK