Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1660

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
07-3302 WIA + 07-5101 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning IVA-uitkering. Appellant wordt ingaande 7 juni 2006 volledig arbeidsongeschikt beschouwd zonder een (geringe) kans op herstel. Het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om schadevergoeding van appellant met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3302 WIA + 07/5101 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 april 2007, 06/4192 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend alsmede een nieuw besluit op bezwaar van

28 augustus 2007.

Op verzoek van de Raad heeft prof. dr. H.J.C. van Marle, hoogleraar forensische psychiatrie, als deskundige omtrent appellant verslag uitgebracht bij rapport van

7 september 2010.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 26 oktober 2010 op het verslag van de deskundige gereageerd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 november 2010 meegedeeld dat ingaande 7 juni 2006 recht is ontstaan op een IVA-uitkering ingevolge de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Bij brieven van 27 december 2010 en 21 februari 2011 is namens appellant gereageerd op het deskundigenrapport en op het nieuwe standpunt van het Uwv.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad vermeldt hier dat het Uwv bij op bezwaar genomen besluit van 29 september 2006 (het bestreden besluit 1) zijn besluit van 13 juli 2006 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv aan appellant geweigerd een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen, onder de overweging dat hij per einde wachttijd (7 juni 2006) minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit op arbeidskundige gronden vernietigd met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen.

3.1. Namens appellant is in hoger beroep naar voren gebracht dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat.

3.2. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 28 augustus 2007 een nieuw besluit op bezwaar (het bestreden besluit 2) genomen waarbij het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2006 opnieuw ongegrond is verklaard. Nu met dit besluit niet aan het beroep van appellant is tegemoetgekomen zal de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure betrekken.

3.3. Naar aanleiding van het onderzoek en conclusies van de deskundige prof. dr. Van Marle heeft het Uwv te kennen gegeven dat het standpunt is gewijzigd. Bij besluit van 22 november 2010 is meegedeeld dat appellant ingaande 7 juni 2006 volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd zonder een (geringe) kans op herstel en dat recht bestaat op toekenning van een IVA-uitkering ingaande laatstgenoemde datum.

3.4. Bij brieven van 27 december 2010 en 21 februari 2011 is namens appellant op dit nieuwe standpunt gereageerd. In de laatste brief is aangegeven dat appellant zich niet (langer) verzet tegen de berekening van het WIA-dagloon. Wel is verzocht om vergoeding van proceskosten en wettelijke rente. Tevens is verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.5. Bij brief van 5 mei 2011 heeft het Uwv hier op gereageerd en heeft aangegeven dat naar zijn mening de redelijke termijn is overschreden.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad stelt vast dat met het nieuwe besluit van 22 november 2010 aan appellant een IVA-uitkering ingevolge de Wet WIA is toegekend en dat daarmee in termen van uitkeringspercentage de maximaal haalbare WIA-uitkering aan appellant is verstrekt. Derhalve is volledig aan het bezwaar van appellant tegemoet gekomen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en wordt het beroep van appellant gelet op artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb, niet mede gericht tegen het besluit van 22 november 2010.

4.3. Bij brief van 27 december 2010 is namens appellant tevens verzocht om vergoeding van de wettelijke rente en een vergoeding gevraagd in verband met de door hem in de onderhavige procedure gestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu vanaf het maken van bezwaar op 14 juli 2006 al meer dan 4 jaar verstreken is.

4.4. Gelet op overweging 4.3 stelt de Raad vast dat in het licht van zijn vaste rechtspraak het belang van appellant bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten 1 en 2 niet is komen te vervallen.

4.5. Gelet op het besluit van 22 november 2010 moet worden geoordeeld dat met de bestreden besluiten 1 en 2 ten onrechte een WIA-uitkering is geweigerd. De bestreden besluiten 1 en 2 dienen derhalve te worden vernietigd. Dit geldt ook voor de aangevallen uitspraak behoudens voor zover daarbij is beslist over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tevens zal de Raad het besluit van 13 juli 2006 herroepen.

5.1. De Raad is van oordeel dat de vordering van appellant tot vergoeding van de wettelijke rente in verband met achteraf toegekende WIA-uitkering toewijsbaar is en verwijst voor de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente over de aan appellant na te betalen WIA-uitkering dient te berekenen, naar zijn uitspraak van 1 november 1995

(LJN ZB1495).

5.2.1. Wat betreft de beoordeling van het verzoek van appellant om vergoeding in verband met de gestelde overschrijding van de redelijke termijn verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009.

5.2.2. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant door het Uwv op

14 juli 2006 tot de datum van deze uitspraak zijn bijna vijf jaar verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Dit houdt in een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar.

5.2.3. Van het tijdsverloop genoemd in 5.2.2 heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim twee maanden geduurd. De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de redelijke termijn is overschreden door het Uwv.

5.2.4. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift van appellant door de rechtbank op 12 oktober 2006 heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim zes maanden geduurd. Ook in deze fase is de redelijke termijn niet overschreden. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst per fax van het hoger beroepschrift van appellant door de Raad op 7 juni 2007 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en ongeveer een maand geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad.

5.2.5. Aan overweging 5.2.4 verbindt de Raad de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist over het in 5.4.1 omschreven verzoek voor zover dit betreft de gestelde schending van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding het onderzoek in deze zaak te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- in hoger beroep. Van andere op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover daarbij is beslist over vergoeding van griffierecht en proceskosten;

Verklaart het beroep tegen de besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt de besluiten 1 en 2;

Herroept het besluit van 13 juli 2006;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente overeenkomstig overweging 5.1;

Bepaalt dat het onderzoek onder de nummers 11/3971 BESLU en 11/3972 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om schadevergoeding van appellant met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 483,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) P. Boer.

RK