Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
11/859 WWB + 11/861 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet (tijdig) indienen bezwaargronden; groot financieel belang speelt geen rol bij toepassing art. 6:6 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/859 WWB

11/861 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 december 2010, 09/1411 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.J. Patelski, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. Patelski. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Quaedvlieg en mr. P. Pletzers, beiden werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 14 mei 2009 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 februari 2009 tot een bedrag van € 185.897,01 van appellanten teruggevorderd.

1.2. Tegen dit besluit heeft mr. A.C. Dabekaussen namens appellanten bij brief van 10 juni 2009 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij brief van 17 juni 2009 heeft het College mr. Dabekaussen meegedeeld dat het bezwaarschrift geen gronden bevat en dat, om te voorkomen dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard, dit verzuim uiterlijk 15 juli 2009 dient te zijn hersteld.

1.4. Bij brief van 16 juli 2009 heeft mr. G.G.P.H. Henderickx namens appellanten verzocht hem alsnog een termijn te gunnen van één week voor het indienen van de gronden. Hierbij heeft hij meegedeeld dat hij het dossier onlangs van mr. Dabekaussen heeft overgenomen.

1.5. Bij besluit van 16 juli 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2009 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij is aangegeven dat het bezwaarschrift geen gronden bevat, dat appellanten in de gelegenheid zijn gesteld dit verzuim binnen de daarvoor aangegeven termijn te herstellen en dat appellanten van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt. Voorts is hierbij aangegeven dat het feit dat mr. Henderickx in een latere fase van het bezwaar is ingeschakeld en dat er wellicht iets mis is gegaan bij de overdracht van het procesdossier voor risico van appellanten komt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 16 juli 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt, onder meer, dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2. De Raad stelt vast dat het inleidend bezwaarschrift van 10 juni 2009 geen gronden bevat in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Voorts staat vast dat de gronden van het bezwaar niet binnen de daartoe gestelde termijn zijn ingediend en dat binnen die termijn evenmin om uitstel van indiening van die gronden is verzocht. Noch gesteld noch gebleken is dat dit laatste niet mogelijk was voor mr. Dabekaussen en/of mr. Henderickx.

4.3. Met hetgeen onder 4.2 is overwogen is gegeven dat het College bevoegd was het bezwaar wegens het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk te verklaren.

4.4. In de enkele omstandigheid dat appellanten een groot financieel belang hadden bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaar ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om op grond van artikel 6:6 van de Awb het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk te verklaren. In hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd ziet de Raad evenmin grond voor dat oordeel.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD