Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
10-6328 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Onjuiste wettelijke grondslag besluit. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de in de brief van 13 januari 2010 gestelde termijn onredelijk kort was. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat reeds in december 2009 een verantwoording van gelden en verklaringen van derden was opgemaakt op basis waarvan zij haar gronden heeft geformuleerd. Deze verklaringen zijn in december 2009 naar de gemachtigde van appellante gestuurd. Van appellante kon derhalve worden gevergd om binnen de gestelde termijn de gronden van het bezwaar in te dienen. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6328 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 oktober 2010, 10/1918 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaren (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.K. Kolev, advocaat te Hapert, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Verzandvoort, werkzaam bij de gemeente Haaren.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 7 december 2009 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 18 april 2005 tot en met 12 januari 2009 herzien voorzover in die maanden sprake was van kasstortingen en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 11.159,67 van appellante teruggevorderd.

1.2. De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 7 januari 2010 tegen het besluit van 7 december 2009 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij brief van 13 januari 2010 heeft het College de gemachtigde van appellante verzocht voor 28 januari 2010 de gronden waarop het bezwaarschrift is gebaseerd aan te vullen. Daarbij is meegedeeld dat bij niet nakoming het bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

1.4. Bij brieven van 1 februari 2010 en 3 februari 2010 zijn de gronden van het bezwaar nader aangevuld.

1.5. Het College heeft bij besluit van 25 mei 2010 het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2009 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het ingediende bezwaarschrift geen gronden bevat en dit verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn is hersteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 mei 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat appellante bij het maken van haar bezwaar de ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht heeft genomen. Het College heeft voorts, overeenkomstig dit advies en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dat sprake was van een tijdig ingediend bezwaarschrift vormt echter geen onderwerp van geschil. Het gaat in het onderhavige geval om de vraag of het College het bezwaar op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in verbinding met artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren op de grond dat appellante de gronden van bezwaar niet tijdig heeft ingediend.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 25 mei 2010 op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 25 mei 2010 vernietigen wegens strijd met de artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.6. De Raad zal vervolgens onderzoeken of met het oog op finale geschillenbeslechting de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 mei 2010 in stand gelaten kunnen worden.

4.7. Niet in geschil is dat het inleidend bezwaarschrift geen gronden bevat in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb en dat binnen de gestelde termijn van twee weken niet alsnog gronden zijn ingediend. Hieruit volgt dat het College op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb bevoegd was om het bezwaar

niet-ontvankelijk te verklaren.

4.8. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de in de brief van 13 januari 2010 gestelde termijn in het onderhavige geval onredelijk kort was. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat reeds in december 2009 een verantwoording van gelden en verklaringen van derden was opgemaakt op basis waarvan zij haar gronden heeft geformuleerd. Deze verklaringen zijn in december 2009 naar de gemachtigde van appellante gestuurd. Van appellante kon derhalve worden gevergd om binnen de gestelde termijn de gronden van het bezwaar in te dienen.

4.9. In de omstandigheid dat appellante de gestelde termijn tot 28 januari 2010 maar met enkele dagen heeft overschreden en ook in de overige aangevoerde grieven, ziet de Raad geen aanleiding voor de conclusie dat het College niet in redelijkheid van de in artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb neergelegde bevoegdheid gebruik zou kunnen maken om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

4.10. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 25 mei 2010 in stand worden gelaten.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 437,-- in beroep en € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 mei 2010 gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 mei 2010 en bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD