Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
09-4844 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Toekenning faillissementsuitkering ingevolge hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet, bestaande uit het loon over de periode van 30 juni 2007 tot en met 22 oktober 2007 (€ 3.185,97 bruto), de vakantietoeslag over de periode van 23 oktober 2006 tot en met 22 oktober 2007 (€ 866,26 bruto), het loon over 119,07 vakantie-uren (€ 1.047,06 bruto) en de eindejaarsuitkering over de periode van 30 juni 2007 tot en met 22 oktober 2007 (€ 274,13 bruto).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4844 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 juli 2009, 08/1810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.J. Gorissen, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 31 mei 2011. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft in de maanden oktober 2006 tot en met oktober 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. In het merendeel van deze maanden werd de bijstand verstrekt als aanvulling op haar salaris van [naam werkgever] (hierna: de werkgever). In verband met het faillissement van de werkgever heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de betalingsverplichtingen van de werkgever overgenomen. Bij besluit van 20 december 2007 heeft het Uwv aan appellante een faillissementsuitkering ingevolge hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet toegekend, bestaande uit het loon over de periode van 30 juni 2007 tot en met 22 oktober 2007 (€ 3.185,97 bruto), de vakantietoeslag over de periode van 23 oktober 2006 tot en met 22 oktober 2007 (€ 866,26 bruto), het loon over 119,07 vakantie-uren (€ 1.047,06 bruto) en de eindejaarsuitkering over de periode van 30 juni 2007 tot en met 22 oktober 2007 (€ 274,13 bruto). Volgens telefonische opgave van de zijde van het Uwv aan het College is in november en december 2007 in totaal € 4.383,49 aan appellante overgemaakt. Naar aanleiding van deze faillissementsuitkering heeft het College een herberekening gemaakt van de bijstandsuitkering van appellante over de periode van 23 oktober 2006 tot en met 22 oktober 2007, en vastgesteld dat appellante over deze periode € 2.188,20 teveel aan bijstand heeft ontvangen.

1.2. Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het College de over de periode van 23 oktober 2006 tot en met 22 oktober 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.188,20 netto van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2008 ongegrond verklaard met dien verstande dat de terugvordering is gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Anders dan de rechtbank, is appellante van mening dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij minder loon heeft ontvangen dan de bedragen die staan vermeld op de loonstroken van de werkgever. Voorts heeft het College bij de herberekening van de bijstand er geen rekening mee gehouden dat de bijstand in de maanden april en augustus tot en met oktober 2007 met 10% was verlaagd. Om die redenen heeft het College volgens appellante het bedrag van de terugvordering te hoog vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het College de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

4.2. Niet is in geschil dat de door het Uwv aan appellante verstrekte faillissementsuitkering behoort tot de middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de WWB. Afgaande op de gedingstukken neemt de Raad aan dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van het Uwv van 20 december 2007 en dat zij evenmin de telefonische opgave van het Uwv aan het College van de netto betaalde bedragen heeft bestreden. Appellante bestrijdt niet dat zij over de maanden oktober 2006 tot en met oktober 2007 bijstand heeft ontvangen zoals weergegeven in tot de gedingstukken behorende uitkeringsspecificaties over die maanden. Daarbij tekent de Raad aan dat het College tijdens de procedure in beroep aannemelijk heeft gemaakt dat over de maanden april, augustus, september en oktober 2007 niet een hoger bedrag aan bijstand is teruggevorderd dan aan appellante feitelijk is verstrekt, zodat de verlaging van bijstand met 10% over die maanden er niet toe heeft geleid dat teveel is teruggevorderd. Evenmin bestrijdt appellante de wijze waarop het College de faillissementsuitkering heeft toegerekend aan de periode van 23 oktober 2006 tot en met 22 oktober 2007 en dat op basis van die uitkering over genoemde periode € 2.188,20 netto teveel aan bijstand is betaald.

4.3. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij volgens de loonstroken van de werkgever over de maanden januari en april tot en met augustus 2007 in totaal € 4.536,74 netto aan loon heeft ontvangen, terwijl zij van de werkgever feitelijk € 3.479,08 netto door middel van overboekingen en kasbetalingen heeft ontvangen. Naar de mening van appellante dient het verschil tussen beide bedragen (€ 1.057,66) in mindering te worden gebracht op het bedrag dat het College van haar terugvordert. De Raad kan in het midden laten of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij van de werkgever minder loon heeft ontvangen dan uit de loonstroken volgt. In dit geding is de terugvordering van bijstand in verband met de aan appellante over genoemde periode verstrekte faillissementsuitkering aan de orde en niet of de in die periode aan appellante verstrekte bijstand juist is vastgesteld. Voor zover in de genoemde periode op de bijstand een hoger bedrag aan loon in mindering is gebracht dan feitelijk aan appellante is betaald, had appellante na kennisneming van de uitkeringspecificaties daartegen rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Nu zij dat niet heeft gedaan staat de over die maanden verstrekte bijstand in rechte vast. Daarbij merkt de Raad op dat de door appellante gemaakte berekening niet volledig is. Daarin is buiten beschouwing gelaten dat het Uwv het loon over de periode vanaf 30 juni 2007 heeft overgenomen, zodat appellante over de maanden juli en augustus 2007 het volledige bedrag aan loon, zij het van het Uwv, heeft ontvangen. Uit het besluit van het Uwv van 20 december 2007 blijkt bovendien dat de voorschotbetalingen van de werkgever zijn toegerekend aan de periode vóór 30 juni 2007. Met deze toerekening is in de door appellante gemaakte berekening van hetgeen zij van de werkgever over genoemde maanden te weinig aan loon heeft ontvangen evenmin rekening gehouden. Ten slotte merkt de Raad nog op dat aan appellante in totaal € 4.383,49 netto aan faillissementsuitkering is uitbetaald, terwijl de terugvordering van het College niet meer dan € 2.188,20 netto bedraagt.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

RS